Vrije Universiteitsblad 1966 - pagina 145
langrijk punt nooit uitsluitend eigen beleid kan zijn, maar collegiaal beleid, kabinetsbeleid is. Nu de overheid voorshands zekere beperkingen in acht moet nemen, herleeft — en dat is op zichzelf geen kwaad — de verantwoordelijkheid van het particulier initiatief. Particuliere fondsen, voor ons in de eerste plaats het Vrije Universiteitsfonds, moeten.meer dan voorheen aanvullend gaan optreden. De mogelijkheden als student zekere hulpdiensten bij het onderwijs te verrichten zullen voorts meer dan de laatste jaren het geval was, moeten worden benut. Dat is geen belasting van de studie, integendeel, de studie zal er te vruchtbaarder door worden".
van de wetenschap in engere zin noemen".
Tot zover prof. De Gaay Fortman over het studiebeurzenbeleid. Een ander punt dat wij uit zijn rede naar voren willen brengen, betreft de erepromoties. In discussies rondom de tijdens de viering van de 85ste jaardag van de V.U. verleende erepromoties kon men ook wel de opmerking vernemen, dat universiteiten alleen op grond van wetenschappelijke verdiensten eredoctoraten verienen. Prof. De Gaay Fortman:
,,lk weet dat de curve der promoties grillig is, maar niettemin kan ik mij niet aan de indruk onttrekken, dat in ieder geval in de alpha-faculteiten de neiging tot promoveren afneemt. Ik betreur dat. Voor doctorandus en universiteit blijft de promotie de meest bevredigende afsluiting van de studie. De voorbereiding van een promotie is na de eigenlijke examenstudie de natuurlijkste vorm van wetenschappelijk onderzoek. De universiteit behoort haar begaafde leerlingen in die richting te stimuleren. Zij behoort hen ook te behoeden voor perfectionisme en het schrijven van dikke boeken. Een korte goed gedocumenteerde monografie kan een meesterwerk zijn. Bij de promotie blijken financiële bezwaren soms zwaar te drukken. Lever maakte bij de Academische Raad een voorstel aanhangig om daaraan tegemoet te komen. Moge het het succes krijgen, dat het verdient."
„Zo is het niet. Ook ons reglement stelt geen andere eis dan ,,zeer uitstekende" verdiensten. De Vrije Universiteit heeft zich nimmer bij het verlenen van eredoctoraten beperkt tot hen, die deze eer alleen op grond van zeer uitstekende wetenschappelijke verdiensten kon worden gegund. Bij de vier eredoctoren van 1930 — de eersten na de stichting der universiteit — waren er drie, van wie men kan zeggen, dat hun wetenschappelijke verdiensten niet voldoende zouden zijn geweest voor de verlening van een eredoctoraat. Gaat men de gronden van verlening onzer eredoctoraten sedert 1930 na, dan is echter wel duidelijk, dat bij alle eredoctoren hetzij door puur wetenschappelijke arbeid, hetzij anderszins van een bijdrage aan de ontwikkeling der wetenschap kan worden gesproken. Ik • acht dat juist. Een universiteit behoort mede karaktervormend' werkzaam te zijn. Omgekeerd behoort zij hen te eren, die niet in de laatste plaats door karaktervastheid een stimulerende invloed op de ontwikkeling der wetenschap hebben geoefend, al kan men hen geen beoefenaars
De rector magnificus constateerde met zorg, dat het aantal promoties absoluut en relatief daalt. Bedroeg het het vorige jaar 25, thans waren het er maar 16. In de faculteit der godgeleerdheid vond slechts één promotie plaats; in die der letteren geen. Rechtsgeleerdheid, medicijnen en economie handhaafden zich; de faculteit der wiskunde en natuurwetenschappen viel terug van 8 op 5. Prof. De Gaay Fortman, die vertelde dat voor het eerst een aan de V.U. verdedigde dissertatie in het Arabisch werd vertaald (Arba contract of employment van Hisham Rif'at Hashem), maakte nog de volgende opmerkingen inzake het dalende aantal promoties:
Sprekend over de internationale contacten èn taken van de Vrije Universiteit zei de rector magnificus dat het eigen karakter van de V.U. eerst dan goed tot zijn recht zal komen, als wij er in slagen internationaal een stimulerende funktie voor christelijk wetenschappelijk onderwijs te vervullen. Hij vervolgde: ,,Teleurstellend is daarom, dat noch enige Nederlandse kerk, noch de Wereldraad van Kerken aanleiding vond ook maar iemand onzer te betrekken in de conferentie over kerk en maatschappij, die onder auspiciën van de wereldraad deze zomer in Geneve werd gehouden en die
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
VU-Blad | 201 Pagina's