Vrije Universiteitsblad 1966 - pagina 35
Anne Anema 1872 - 1966
Met mr. Anne Anema is aan Nederland één van zijn grootste figuren uit de eerste helft van deze eeuw ontvallen. Wij zeggen — juist te dezer plaatse — niet: ,,ontvallen aan de Vrije Universiteit". Anema was wat hij wezen wilde: voor heel het volk, zo mogelijk: voor heel de wereld. Trouwens, als student was hij in de eerste plaats Leidenaar, leerling van Oppenheim. Hoewel deze leermeester aan Anema na zijn afstuderen te kennen gaf dat hij hem nooit zou aanbevelen voor een staatsbetrekking omdat hij gereformeerd was, bleef Anema steeds door Oppenheim geïnspireerd. Hij werd advocaat en gezien zijn bijzondere kwaliteiten lag het al spoedig voor de hand, hem tot hoogleraar aan de V.U. te benoemen. Nu moet gezegd worden dat in tweeërlei opzicht dit hoogleraarschap niet geheel geworden is wat Anema er van verhoopt had. In de eerste plaats: de katheder
voor staatsrecht was bezet (Fabius) en zo bleef voor Anema het burgerlijk recht, dat hem veel minder lag. Hij hoopte zich te eniger tijd geheel aan het staatsrecht te kunnen wijden, c.q. gecombineerd met volkenrecht; maar hij is de opdracht voor burgerlijk recht nooit kwijtgeraakt. Dat belastte hem. Dan was er een tweede punt: Zijn eigen studententijd (hij deelde de collegebanken met later beroemd geworden mannen als Struycken en Van Eysinga) werd goeddeels gevuld door sprankelende debatten tussen hoogleraar (met name Oppenheim voornoemd) en studenten. In de eerste tijd van zijn — in 1904, op 22-jarige leeftijd aangevangen — hoogleraarschap is daar misschien iets van gerealiseerd, maar stellig niet meer in de jaren 1920—1940. En hij was nu eenmaal een man die een krachtige prikkel nodig had. Zo zijn zijn wetenschappelijke geschriften geringer in aantal geweest dan met zijn onuitputtelijk talent mogelijk geweest ware. Minstens twee maal is die prikkel er geweest en dat heeft Anema gebracht tot twee wetenschappelijke prestaties van de hoogste orde. Vooreerst werd hem gevraagd, het vijfde deel te schrijven van Asser's handboek voor het burgerlijk recht, handelend over: Het Bewijs. Een ogenschijnlijk zuiver technisch onderwerp: hoe maakt men, als er een geschil tussen twee partijen is, aan de rechter aannemelijk, dat de feiten waarop men zich beroept, waar zijn. Met dit boek — het begon in 1911 te verschijnen — werd de beoefening van de gehele rechtswetenschap in nieuwe banen geleid. Vierde tot dusver een rigoureus formalisme hoogtij in de rechtspraktijk (een stuk papier is een stuk papier, maar wie vertelt me dat het waar is wat er In staat!), Anema kapt deze ontwikkeling af en stelt: geen zinnig mens tekent een gezegeld stuk papier waaraan men hem later zou kunnen houden, tenzij hij werkelijk bedoelt, zich te verbinden. Zo wordt het recht bezien in verband met zijn aard
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
VU-Blad | 201 Pagina's