Vrije Universiteitsblad 1966 - pagina 189
deining rondom rijksstudietoelagen
Het nieuwe systeem t.a.v. het verlenen van rijksstudietoelagen heeft vele tongen en pennen in beweging gebracht. In dag- en weekbladen is er veel over geschreven, voor radio en televisie hadden, soms hevige, discussies plaats, protestbijeenkomsten en demonstraties zijn gehouden, kortom, het was duidelijk, dat er met de toelagen van de studenten iets aan de hand was. Veel studenten voelden zich gedupeerd en verschillenden zagen geen kans hun studie op normale wijze voort te zetten. Maar wat is er nu eigenlijk gebeurd? In het kort komt dat in grote lijnen op het volgende neer; Reeds enige tijd bestond er bij veel mensen een zeker onbehagen over de vrij royale wijze, waarop rijksstudietoelagen werden verleend. Hier kwam bij, dat men in het geheel niet wist welke normen het Ministerie hanteerde, zodat een zekere willekeur niet uitgesloten scheen. Verder werd slechts in bpperkte mate rekening gehouden met de gevolgen, die het verlenen van een rijksstudietoelage kon hebben t.a.v. het recht op kinderbijslag en kinderaftrek, dat veel ouders konden laten gelden. Een commissie van deskundigen is zich eens gaan bezinnen over de wijze, waarop genoemde bezwaren konden worden ondervangen en dit heeft geleid tot het huidige systeem, dat hier zeer summier wordt uiteengezet. Er wordt van uitgegaan, evenals voorheen het geval was, dat in eerste instantie de ouders verantwoordelijk zijn voor de kosten van opleiding en levensonderhoud van hun studerende kinderen. Een toelage vult dus aan, wat de ouders zelf niet kunnen betalen. Bij de vaststelling van het bedrag van de toelage (die zoals bekend alleen wordt verleend bij voldoende studieprestaties) wordt dan ook uitgegaan van de ouderlijke bijdrage, d.w.z. van het bedrag, dat de ouders geacht worden te kunnen bijdragen in genoemde kosten voor het cursusjaar waarvoor de toelage is aangevraagd. Basis hiervoor is het belastbaar inkomen zoals dat staat aangegeven op het aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting over het voorgaande jaar, dit jaar dus over 1965. Van dit inkomen worden afgetrokken de verschuldigde inkomstenbelasting, de kosten voor de andere ten laste van de ouders komende kinderen, en het bedrag dat de ouders geacht worden nodig te hebben voor hun eigen levensonderhoud, ofwel het Levensonderhoudbedrag Ouders, kortweg het LBO. Dit bedrag staat in een zekere relatie tot het belastbaar inkomen van de ouders. Het is moeilijk in het bestek van dit artikel precies weer te geven, hoe die relatie ligt, maar ter verduidelijking kan wellicht dienen, dat bij een belastbaar inkomen tot f 10.000,— het LBO ƒ 7.400,— is voor zgn. continueringsgevallen (waarover straks meer), terwijl bij stijging van het belastbaar inkomen ook een zekere stijging van het LBO plaatsvindt. Bij een inkomen van f 23.000,— of hoger is het LBO bijv. f 12.000,—. Hebben ouders een vermogen dan kan los van het inkomen daaruit volgens bepaalde normen de draagkracht van de ouders hoger worden aangeslagen. Op een ingenieuze wijze is verder rekening gehouden met de gevolgen, die het bedrag van de toelage kan hebben op kinderbijslag en kinderaftrek, zodat deze geheel tot hun recht komen; het aanvullend karakter van de toelage wordt hierdoor geaccentueerd. Tenslotte: volgens bepaalde regels wordt rekening gehouden met het eigen inkomen en het vermogen van de student, die de toelage aanvraagt. 9
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
VU-Blad | 201 Pagina's