VU Magazine 1980 - pagina 85
1 ^ mai^azine 39
Uit de hortus door Daan Smit
Planten uit de Bijbel
DEOUOF De olijf, Olea europaea was zonder enige twijfel de meest waardevolle boom ten tijde van de oude Hebreeën. Het belang van deze boom wordt o.m. geïllustreerd door de lange, in "t geheel niet volledige opsomming van teksten waar de olijf in de Bijbel wordt genoemd. Olea europaea werd en wordt nog overvloedig in grote delen van Palestina aangetroffen. En in vele gevallen is het dan ook de enige boom van omvang welke het landschap beheerst. Er is nauwelijks een andere boom te bedenken welke zo dicht verweven is met de geschiedenis van de mens en de ontwikkeling van de beschaving dan de olijf. Het is een uiterst markante verschijning in het Heilige Land, welke daar in een 4-tal vormen aan te treffen is'. De takken van de wilde, niet veredelde soort hebben een stramme, strakke vorm en zijn vrij sterk bedoornd. De bomen van gekweekte vormen zijn sierlijk en rijk vertakt (Hosea 14:7), 7 en meer meter hoog, hebben een knoestige stam, omgeven door een asgrijze schors. Het altijd groene, leerachtige blad is ovaal, langwerpig, of lancetvormig, doch in sommige gevallen praktisch rond van vorm, langs de rand iets omgeslagen en grijsfiltig aan de onderzijde. De kleine witte of gele bloemetjes vormen tezamen trosjes, welke in de oksels van de bladeren staan. Over het algemeen vindt de bevruchting door de wind plaats, in sommige gevallen echter ook door bijen e.a. insecten. De vruchten zijn vrij groot, ovaal gevormd en zwart of donkerblauw-violet van kleur. Het is juist het bui-
tenste, vlezige gedeelte van de vrucht waaruit de zo waardevolle olijfolie wordt gewonnen; ook de zaadkern bevat olie. De olie werd toendertijd gewonnen door de vruchten te persen met behulp van een rechtop geplaatste ronde maalsteen. Een volwassen boom levert ± 500 kg olie. Ofschoon erg bitter, kan zowel de onrijpe als de rijpe vrucht rauw worden gegeten. In het algemeen worden deze daarvoor ingelegd in een pekeloplossing. Geoogst wordt er in het late najaar of tijdens de wintermaanden. De grootste vruchten worden ± 4-5 cm lang en 3 cm dik, doch de vorm varieert al naar gelang de cultuurvariëteit van rond, eivormig, ovaal, stomp, tot toegespitst. Het aantal bloemen dat vruchten vormt is gering. Meestal valt 50% van de bloemen af, terwijl van de rest slechts \()-2Cf/c tot rijpe vruchten uitgroeit. De vruchten werden over het algemeen geoogst door tegen de boom en takken te schudden of er met stokken tegen te slaan. Er werden altijd enige olijven aan de grootste takken gelaten, ten behoeve van de armen, de vreemdeling, de wezen en de weduwen, welke ze tenslotte verzamelden. Een boom kan een hele familie voorzien van vetten. Het is echter wel zo dat de boom een zeker onderhoud vraagt. Indien dat achterwege wordt gelaten, zal hij nauwelijks vrucht dragen, hetgeen te constateren is aan bomen op verlaten plantages. Het harde, fijnnervige hout van stam en takken is intensief geel of amberkleurig, doorlopen met grillige,
roodachtige, onregelmatig gevormde aders, hetgeen een gevlamde structuur teweegbrengt. Ook tegenwoordig is het olijvenhout een begeerd artikel, waarvan vele waardevolle dingen worden vervaardigd. De boom groeit uiterst langzaam en kan zeer oud worden^. Van sommige bomen op de Olijfberg en in de tuinen van Gethsemane, waar Jesus zijn taatste nacht in vrijheid doorbracht, wordt gezegd dat ze er al staan sinds de geboorte van Christus', doch dit is onwaarschijnlijk, omdat van de Romeinse keizer, Titus Vespersianus, in het jaar 70 A.D. door toenmalige historici wordt verhaald dat alle olijfbomen omgehakt werden. Het is echter niet gemakkelijk een olijf te doden zonder het wortelgestel te rooien. Bij de grond afgezaagde bomen lopen altijd weer op verschillende plaatsen tegelijk uit, waarbij ze in de meeste gevallen, op den duur, meerdere hoofdstammen vormen. Vermeldenswaardig is voorts het feit dat de duif in het verhaal van de ark van Noach een olijfblad terug bracht als bewijs dat God's toorn (de zondvloed) bekoeld was. Zowel de duif ais de olijf werden sinds die tijd gebruikt als symbool voor vrede en vriendschap. Aangenomen wordt dat Olea europaea van origine inheems is in West-Azië en nicl in Zuid-Europa zoals de soortsaanduiding (europaea) suggereert. In de oriënt is de olijf een symbool van voorspoed en goddelijke zegen, schoonheid, weelde, alsmede kracht. De cultuur was toendertijd zo veelvuldig dat de uitdrukking olijf-
gaarden in de Bijbel vrijwel in een adem met wijngaarden en graanvelden werd genoemd. Vrijwel elk dorp had zijn eigen olijfbos of -gaard. Ten teken van soevereiniteit werd olijfolie gebruikt tijdens kroningen. Ook werd de olie gebruikt tijdens het offeren, als brandstof voor lampen (zie o.a. Exodus 27:20), als versteviging voor het haar en de huid en schreef men er tevens een medicinale werking aan toe. Voorts vormde het de basis voor geparfumeerde zalven welke in het klassieke Rome en Athene werden verhandeld. De sprinkhaan in Amos 4:9 is een van de gevreesde vijanden van de olijf, zoals trouwens van iedere vegetatie in deze landen. Voor het verkrijgen van goede vruchten dient de olijf te worden geënt. Niet geënte planten brengen slechts mizerabele vruchtjes voort. Dit verklaart de krachtige, zinnebeeldige voorstelling in de brief van Paul us aan de Romeinen 11:17-24. Aangaande ,,de tuinen"' van de Bijbel is hier een enkele opmerking misschien nog op zijn plaats. De toenmalige tuinen in het Midden-Oosten waren geenszins zo bloemrijk als wij ons dat ook maai zouden voorstellen, hetgeen in zeker mate zelfs vandaag de dag nog geldt. Over het algemeen waren het (vrucht)boomgaarden omgeven door doornachtige hagen of muren. In de regel bestonden de bomen hierbinnen uit olijven met hier en daar misschien een vijgeboom. Welgestelde onderdanen en koningen hadden er tevens amandel-, walnoot-, pistaschnoot- e.a. bomen en verschillende kruiden geplant. In iedere boomgaard was meestal een toren aanwezig vanwaaruit gewaakt kon worden om zodoende wilde dieren of dieven vroegtijdig te kunnen verjagen. Deze oosterse ,,tuinen" werden door reizigers beschreven als een onordelijk geplante groep bomen zonder paden, aardige hoekjes, of iets van dien aard, wat eventueel met een tuinarchitectonisch ontwerp te maken zou kun-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
VU-Magazine | 514 Pagina's