VU Magazine 1980 - pagina 256
vil ma^aTJne 34 zo groot geworden dat er geen brug meer tussen mensen te slaan is. Katerina Angelakis-Rooke verwoordt het zo:,,misschien is alle hartstocht wel kilte, dacht ik lopend langs de rand van de afgrond stilte ook in mij witter, mistiger melkachtig - " . Of Andonis Postieris in zijn gedicht: HET IDOOL Vensters zijn je of^en, waar omheen zich vogels
verzamelen.
Zelden vind ik jou achter hun omlijsting. Als je me ziet komen, trek jij je altijd terug. Ergens verdwijn je. Je duikt weg in je romp, je verschuilt je in je lichaam, - in dat lichaam, dat je onherroepelijk in de steek zal laten, weggezogen door wervelende winden, door orkanen, door stormen die het ongenadig zullen teisteren En steeds ga je weg. ledere brug die ons verbindt, verbrand jij. Voortdurend trekje naar het middelpunt, zonder kompas, zonder beschutting. Ik kan je niet meer vinden. Ik kan je niet meer aanraken. Je woont niet eens meer achter je ogen, achter je gezicht, dat mij de illusie geeft, dat ik zie, dal jij het bent, die aan mijn zijde verblijft. Ondertussen ben jij op reis. Naar andere einders loop je, langs andere wegen. En je hebt een andere hemel als dak. Een vreemde ben je, een vreemde ' ver en ver weg, naar andere tijden en onbekende oorden, met diepe eenzaamheid als metgezel, zozeer zelfs, dat het vlees dat aan mijn zijde ademhaalt, jouw onbezield en koud idool is.
Het bitterst is de afstand wel in het gedicht,,Vreemdeling"" van Jorgis Manousakis' Ken jij het uur dat de zenuwen van de nacht doet beven, het duister vullend met een gruwelijk lawaai? Het uur dat de sterren je boosaardig steken met hun scherpe punten, dat de huizen zweven hoven hun fundamenten terwijl een vleermuis onophoudelijk vliegt en stoot tegen de muren van je schedel? Hel is het uur van de haal. De scheur, die je scheidt van de mensen, wordt kloof en afgrond. Bergen van vrees en vijandschap stapelen zich tussen jullie op. De laatste draad wordt doorgesneden. en met onuitsprekelijke afschuw herken je de beweging van de kaken van het niets die je bestaan beginnen te vermalen. Op dal uur kun je met je nagels de laagste verwensingen kerven in hel voorhoofd van je broeder. Je kunt met je scherpe tong het kristal van de hemel doorboren. Ik eindig deze impressie met een gedicht van Manousakis over een tijd dat de verschrikten hun vrede weer vinden. In een land dat zoveel kwellingen heeft gekend geen overbodige wens. DE DODE BOMEN Wind, mijn broer, waai en werp de skeletten van de dode bomen, die de machten van ons dorp beheksen, weg. Ze maken de kinderen hang als z.e naar buiten gaan om te spelen op het hof. Bij het maanlicht zwijgen de verliejden. de woorden van liefde verdroogd op hun lippen. Oude mensen zijn bang de drempel te overschrijden, want zij houden ze voor geraamten van de dood. En zelfs de nachtegaal stokte het lied in z'n keel. Wind, waai, zodat de dode bomen vallen en de verschrikten hun vrede weer vinden en de nacht haar welluidende stem. Binnenkort verschijnt een uitgave van de Griekse en Nederlandse poëzie van deze avond. Daarin staan naast elkaar de Griekse en de Nederlandse tekst. •
Sieds Prins en Arjiris Chronis in het Endopia theater in Athene tijden.s de Grieks-Nederlandse poëzie avond.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
VU-Magazine | 514 Pagina's