VU Magazine 1980 - pagina 200
1 ^ magazine 22 Prof. dr. J. J. Oostenbrink (hoogleraar staats- en administratief recht):
Duidelijkheid gewenst 1. De Vereniging voor wetenschappelijk onderwijs op gereformeerde grondslag zal voor zich zelf, haar leden en achterban ep voor de universiteit duidelijkheid moeten verschaffen omtrent haar grondslag en het door haar voor de toekomst nagestreefde beleid. 2. Voorts is dringend noodzakelijk een nadere bezinning over de vraag, in hoeverre de structuren van de Wet universitaire bestuurshervorming 1970 zich metterdaad, ook gezien de praktijk van de laatste tien jaren, wel verdraagt met de eigen aard van het eenmaal door de Vereniging aangevangen wetenschappelijk onderwijs. Voorzover dat dan zou moeten leiden tot correcties, dienen die uitdrukkelijk en duidelijk te w o r d e n aangegeven en gemotiveerd. Eventueel daaruit voortvloeiende conflicten zullen, hoe betreurenswaardig ook, niet ontweken m o g e n w o r d e n . 3. Aan toekomstige studenten en personeel zal expliciet duidelijk moeten w o r d e n gemaakt vanuit welke achtergrond de Vrije Universiteit is opgericht en wat er uit hoofde van de doelstelling van hen w o r d t verwacht. 4. De Vereniging zal zich niet mogen neerleggen bij een regeling, waarbij de facto en ten dele momenteel ook de jure de interpretatie van de doelstelling alsmede essentiële elementen uit de voorbereiding van benoemingen en de benoemingsbevoegdheid uit handen is gegeven. 5. Vereniging en christen-docenten dienen, in de w e tenschap dat zij niet alleen een zekere verantwoordelijkheid hebben voor de opleiding van de studenten maar ook v o o r de geestelijke beïnvloeding van de studenten, aan die verantwoordelijkheid voorzover in hun vermogen is, gestalte te geven. Prof. dr. C. A. Van Peursen (hoogleraar geschiedenis van de kennis- en wetenschapsleer VU):
Bezinning mogelijk in groepsverband? Voor alle docenten? „ D e spanningen tussen pluraliteit van opvattingen enerzijds en de noodzaak o m , binnen welk verband ook, toch een zekere consensus te handhaven, doen zich niet alleen binnen de Vrije Universiteit, zelfs niet alleen binnen de christelijke geloofsgemeenschap voor. Zij zijn kenmerk van een verschuiving die zich in het geestelijk klimaat van alle groeperingen voltrekt", begint prof. van Peursen zijn bijdrage. Als beleidsaanbeveling bepleit hij nadere onderlinge
bezinning over de volgende vragen: „a) in hoeverre zijn verschillen van inzicht en beleid door verschuivingen in het geestelijk klimaat bepaald; in hoeverre zijn een of beide der laatstgenoemde punten in het geding? b) in hoeverre zou het mogelijk zijn, bijvoorbeeld via het Bezinningscentrum, alle docenten in groepsverbanden voor enkele dagen bijeen te brengen, c) welke reperkussies hebben bovengenoemde beschouwingen op feitelijk beleid ten aanzien van de „ d o e l s t e l l i n g " , benoemingen, in contact treden met meer levensbeschouwelijk marginale groepen, ook onder studenten, binnen de universiteit?" Ook concludeert h i j : „ d a t er een wijsgerige bezinning nodig is, dwars door alle faculteiten heen en samenkomend in de studie van de wijsbegeerte als poging tot christelijk filosoferen. Daarbij zullen samenhangen tussen wetenschappen en tussen wetenschap en dagelijkse ervaring en verantwoordelijkheid aan bod moeten komen. Daarbij zullen tevens de samenhangen tussen verschillende manieren van kennen - t h e o r e t i s c h , religieus, esthetisch e.d. - aan de orde moeten komen. De vragen naar de zin van de werkelijkheid komen daarbij tevens in het zicht". Prof. dr. M. A. J. Plattel (hoogleraar sociale wijsbegeerte en sociale ethiek aan de Katholieke Hogeschool Tilburg):
Levensbeschouwe lijke factoren spelen belangrijke rol „Wanneer men verklaart, dat in onze dagen de wetenschap vermaatschappelijkt en de maatschappij verwetenschappelijkt is, dan is het duidelijk dat naast andere maatschappelijke factoren, ook de levensbeschouwelijke, ook al is het in een ideologische dekmantelfunctie, een belangrijke rol spelen. Daar het hier zoals reeds eerder gezegd o m een relatieve autonomie gaat, is het beter niet meer van christelijke wetenschap of christelijke wetenschapsoefening te spreken. Dit roept foutieve associaties op. ( . . . ) De relatieve autonomie tussen maatschappelijke en levensbeschouwelijke waarden enerzijds en de wetenschappen anderszijds kan als volgt omschreven worden: maatschappelijke en levensbeschouwelijke oriëntaties zonder wetenschappen zijn leeg en wetenschappen zonder maatschappelijke en levensbeschouwelijke oriëntaties b l i n d " .
b100 JAAR VRUE UNIVERSITEIT
BÖJS loooisl jj3jjsu3AiNn anuA iiwrooi=
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
VU-Magazine | 514 Pagina's