VU Magazine 1980 - pagina 467
Wil imGAZINE 39
Frank R. Boddendijk:
Studenten en Docenten: oh tempora, oh mores En daar waren ze dan weer, de nieuwe eerstejaars studenten, nog wat onwennig, maar dat gaat wel over. leder jaar wordt er begerig naar ze idtgekeken en nog vaker worden ze geteld; hij de voorinschrijving zo rond december, dan bij de aanmelding, de plaatsing terwijl ten slotte het wachten is op het daadwerkelijk verschijnen van de nieuwe lichting. Leverden vroeger een paar studenten meer al snel een extra formatieplaats op, tegenwoordig kan het misschien het ontslag uitstellen van een kollega, die van het College van Bestuur uit voorzorg toch al niet meer dan een tijdelijke benoeming heeft gekregen. Vandaar dat op onze imiversiteit elkjaar begeriger wordt intgekeken naar deze studenten; hoe ze er uit zien doet er wat dit betreft niet toe en ook niet het geloof dat ze al dan niet belijden: het gaat om hun getal. Vroeger lag dat allemaal niet zo krampachtig, toen ging het nog goed met de ekonomie, toen nam het aantal studetiten jaarlijks toe en leek aan de uitbreiding van wetenschappelijke staven geen einde te komen. Elke honderd studenten extra leverden tien medewerkersplaatsen op en als die tien nieuwe medewerkers zich lieten inschrijven als student, wat met name regelmatig binnen de bèta-faculteiten gebeurde, leverde die inschrijving ook weer een extra medewerkersplaats op, en zo meende men tot in lengte van jaren door te kunnen gaan. Het was duidelijk dat in die tijd docenten zich niet al te bezorgd maakten over hun studenten. Afvallers waren er altijd geweest, zouden er ook wel altijd blijven, terwijl ze door hun afwezigheid niet opvielen, te meer daar de kollegebanken toch al overvol zaten. Kritiek van studenten, vooral als deze sloeg op de inhoud van de eigen kolleges, kon menig docent absoluut niet verdragen. Wat duchten die snotjongens en meisjes wel, die komen net kijken en dan zouden ze mij vertellen dat ik de verkeerde boeken gelezen heb? En op het hoogtepunt van de studentengroei en de toename van docenten, zo eind zestiger, begin zeventiger jaren, kreeg menig student na een verknald eerste jaar in plaats van een propedeusecertificaat een testimonium paupertatis en werd vriendelijk doch dringend doorverwezen naar HBO <f' beroepsarbeid. Oh tempora, oh mores, zal een enkele docent vandaag de dag misschien verKzuchten, nu de naoorlogse geboortegolf
langzamerhand is weggeëbd en de beruchte numerus clausus of fi.xus voor menige studierichting nog slechts een fiktie is. Langzamerhand dringt het tot de docenten door dat ze ook maar winkeliers zijn, die dankzij de klandizie van een bepaald aantal klanten hun kop boven water houden. Bij bepaalde, sterk onderbezochte studierichtingen wordt zelfs overwogen om via STER-spotjes e.d. werkloze schoolverlaters te attenderen op het bestaan van de eigen studierichting en de mogelijkheden om via een studiebeurs in het levensonderhoud te voorzien. Soms wordt zelfs het eigen technisch en administratief personeel aatigemoedigdom via een colloqium doctum toegang te krijgen tot de studierichting en aldus bij te dragen tot het behoud van formatieplaatsen. Er zijn momenteel al studierichtingen waar het technisch en administratief personeel ruim tien procent van het aantal nieuwe eerstejaarsstudenten uitmaakt. In het algemeen kan in ieder geval gesteld worden dat studenten en docenten elkaar steeds meer nodig hebhen. Docenten hebben de studenten nodig om hun winkeltje draaiende te houden, terwijl anderzijds studenten een steeds sterker geprogrammeerde studie krijgen die in een steeds geringer aantal studiejaren geperst dient te worden volgens Den Haag. Voorlopig lijkt echter een grote matheid zich van beide groepen meester te hebben gemaakt. Onlangs raakte ik bij een koffie-uitschenkpunt in het hoofdgebouw verzeild tussen een groep studenten die net een kollege gevolg had van een nog niet al te oude hoogleraar. ,.Dat die kerel het volhoudt, vijftien jaar lang hetzelfde diktaat voor te lezen", hoorde ik om mij heen verzuchten. ,,Nog steeds diezelfde oude arresten, Lindeboom-Cohen, het leerlooiersarrest, die mijn vader ook al moest bestuderen. Alsof er vandaag de dag geen interessante krakersarresten zijn". En nog steeds blijken vele docenten op tentamens vooral de eigen kollegestofi.p.v. de vele bestudeerde boeken aan de orde te stellen. Maar ook aan de kant van studenten lijkt de klok een stuk teruggezet te zijn. Maakte enige jaren geleden een student in de regel al in zijn eerste studiejaar een ludieke bezetting mee en lagen de aktivisten voortdurend met docenten in de clinch over de tentamenliteratuur die te burgerlijk, d.w.z. niet marxistisch, was, tegenwoordig kunnen de eerstejaars alleen nog via de Maagdenhuisfilm een be-
zetting ervaren en wordt er alleen maar over de literatuur geklaagd als blijkt dat de VU-boekhandel de betreffende tentamenliteratuur enige dagen voor het bewuste tentamen niet meer in voorraad heeft. Olivia Newton-John lijkt het van Marx te gaan winnen, lAN van de SRVU, Pais van de Academische Raad. En ik? Ik loop achter een groepje eerstejaarsstudenten het studiesekretariaat binnen. Wat ik ga studeren, vraagt er een, want in hun disco-jovialiteit kijken ze vooralsnog niet naar leeftijd. Dat zul je gauw genoeg merken, antwoord ik neutraal, en ik zie mezelf al weer staan in zo'n A-00 zaal in het hoofdgebouw. Weliswaar bieden dergelijke atnjltheaterzalen de docenten een goed overzicht op de aanwezige studenten en de verschillende ochtendbladen die door de studenten in de achterste gelederen gelezen worden, ze vormen een ware ramp in verband met de laatkomers. En dat worden er elk jaar meer; soms overtreft hun aantal dat van de optijdkomers. Niet wetend dat dergelijke zalen ook achteraan een ingang hebben, lopen de laatkomers via het koffie-uitschenkpunt op de even verdieping rechtstreeks naar de hoofdingang van de kollegezaal. Daar vele mensen de gewoonte hebben om op de eerste de beste vrije plek die ze zien te gaan zitten, betekent dit in het geval van de laatkomers dat zij via de trappen in de zaal een heel eind naar boven moeten klimmen om een zitplaats te vinden. En die houten Zweedse muilen mogen dan nog zo gezond zijn, een docent die gedurende het eerste kwartier van zijn of haar kollege voortdurend in zijn of haar betoog gestoord wordt door piepende deuren en klepperende klompen, raakt op den duur geïrriteerd en vergeet dat-ie een winkeltje heeft en dat-ie dus van de klandizie van die studenten afhankelijk is. Ik hoor van kollega 's dat de opkomst van studenten op kolleges tegen de negentig procent loopt, dat de gestelde vragen die naar het openen van het raam verre overstijgen, dat ze soms kritisch gevolgd worden door studenten in hun betoog. Zou het dan toch meevallen met die matheid? Hebben we ons die laten aanpraten door de opinieweekbladen? Ik slenter naar mijn kollegezaal, met een stenen kopje halfvol met koffie in de hand, het professorale kwartiertje - dat dankzij de universitaire democratisering ook voor de gewone medewerkers is weggelegd is nog niet voorbij. Ik zet mijn tas op de gronden doe de deur open, honderd paar ogen richten zich op mij. . .
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
VU-Magazine | 514 Pagina's