VU Magazine 1980 - pagina 123
vu magazine 33 reformeerde Kerk), samen verenigd in 1892 onder de naam Gereformeerde Kerken in Nederland. De groeperingen die niet met de hereniging meeging vormt sindsdien de Christelijk Gereformeerde Kerk.
De kleine luyden Deze groeperingen bestonden uit de zogenaamde ,,kleine luyden", een betrekkelijk eenvoudig en hardwerkend volksdeel dat nauwelijks tijd en geld overhad voor zaken die verder reikten dan het dagelijks brood en het dagelijks geloof. Soberheid, geestelijke zuiverheid en een leven volgens eigen geloofsovertuiging waren de voornaamste deugden. De intellektuele vorming van velen binnen deze groep mag niet onderschat worden. Dit was in de meeste gevallen echter het resultaat van zelfschoHng. Binnen dit gereformeerd volksdeel funktioneerde een uitermate beperkte sociale bovenlaag als leidinggevers. De leden van deze bovenlaag - predikanten bijvoorbeeld, hoogleraren en een enkele bierbrouwer of houthandelaar-hadden over het algemeen een betere opleiding genoten dan hun achterban. Ze leefden veelal in relatief gegoede omstandigheden en hadden meer tijd en geld beschikbaar voor musische aangelegenheden. Voor deze beperkte groep gold het leiden van wat algemeen beschouwd werd als een gekultiveerd bestaan als iets belangrijks.
Abraham Kuyper Kunst beminnen en calvinist zijn is vaak beschouwd als een ,,contradictio in terminis". Deze gedachte kwam vooral in de negentiende eeuw onder invloed van de romantiek nadrukkelijk
„Jozef en Potifar's Vrouw" door J. Tissot uit TAFREELEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT
naar voren. Waren het niet de calvinisten, zo redeneerde men, die sinds de Hervorming de kunst in het verdomhoekje hadden gezet, na eerst de luisterrijke katholieke kerken kaal geplunderd en wit gepleisterd te hebben? Bij het bestaan van een ontwikkeld mens hoorde belangstelling voor kunst en erkenning van het beroep van kunstenaar. Hoe kon een calvinist, met de Bijbel in de ene hand en de witkwast in de andere, zichzelf zo"n ontwikkeld mens wanen? Aan Abraham Kuyper (1837- 1920) komt de eer toe als eerste deze reputatie als een smaad te hebben ervaren. Als orthodox calvinist maar tevens als ontwikkelde en trotse man kon hij het zichzelf en zijn aanhang niet veroorloven in kultureel opzicht achter te blijven. De drang om zijn geloofsovertuiging niet te beleven als iets aparts maar in overeenstemming met zijn verdere belangen en werkzaamheden - een kenmerk van al zijn arbeid - bracht hem ertoe ook aan kunst zijn aandacht te schenken. Bijna als enige in zijn gereformeerde milieu heeft hij zich, althans naar buiten toe, met beschouwingen over de kunst bezig gehouden. Hij trachtte een positieve benadering van kunst te bewerkstelligen, waarschijnlijk met de hoop dat zijn medestanders ook in kulturele aangelegenheden mee zouden gaan teilen. Alle eerstejaarsstudenten in de beginjaren van de V.U. waren verplicht zijn kol-
leges in de esthetika te volgen. In deze kolleges en, we hebben de indruk zijn leven lang, worstelde hij met de vele problemen die er voor hem bestonden rond het verschijnsel kunst, zonder overigens tot een sluitend systeem te komen. Hetgeen hij op schrift heeft gesteld heeft in gereformeerde kringen tot tientallen jaren na zijn dood de basis gevormd - met alle beperkingen van dien - van hun benadering van kunst. Een wat dieper ingaan op zijn theorieën over kunst ligt in dit kader dan ook voor de hand.
Het geestelijke en het zinnelijke Kuyper was de mening toegedaan dat het vooroordeel dat ,,gereformeerde zin en zin voor kunst elkaar volstrekt uitsluitende begrippen waren" op een aantal misverstanden berustte. Ten eerste achtte hij het een onrechtvaardigheid dat het calvinisme telkens weer de wereldverachtende dwalingen van de wederdopers in de schoenen kreeg geschoven. Gold bij deze groep fanatici de verachting van al wat schoon was als een bewijs van vroomheid, bij de oorspronkelijke calvinisten was er geen sprake van vijandigheid ten opzichte van kunst. Al heeft het calvinisme, zo geeft hij toe, in de loop der tijd een en ander overgenomen van de wederdopers, in beginsel is het nooit tegen kunst geweest. De bezwaren die wel eens geuit waren tegen kunst hadden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
VU-Magazine | 514 Pagina's