Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1982 - pagina 186

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1982 - pagina 186

5 minuten leestijd

fundamenteel verwijderd is door de andere visie die daar heerst op de verhouding van christelijk geloof en politiek. Daar komt dan bij dat zeer velen die het op zich in het CDA goed kunnen vinden maar de vergelijking trekken met hun AR-verleden, toch klagen dat het politiek bewustzijn slijt en de politieke activiteit en studie op het grondvlak vermindert. Dat deel van de CDA-kamerfractie dat in den beginne nog een „AR-stijl" vertoonde, werd laatdunkend betiteld als ,,dissident", een woord dat in Nederland tot dan toe voornamelijk een positieve klank had gehad (dissidentie was er ten opzichte van tyrannieke krachten in het 17de-eeuwse Engeland; dissidenten zijn er in het Russische éénpartijstelsel). Nu was dit taalgebruik nodig om binnen de nieuw gevormde éne partij hetzelfde te doen wat in andere historische situaties pleegt te worden afgekeurd: het was deel van een druk, die van binnen en van buiten werd uitgeoefend ter beïnvloeding van de koers van het CDA, die met christelijke bezinning als zodanig niets van doen had. De sterk programmatische interesse, die sinds ,,Ons Program" het kenmerk vormde van de ,,AR-mensen", wordt thans meer en meer verruild voor het eenheidsargument. Hoe men daar ook — bij voorbeeld in verband met de opbouweisen aan de nieuwe partij gesteld — over mag denken, het is programmatisch leeg. De paralysatie bij veel voormalige ARstemmers komt hierin uit dat ze zeggen wel CDA te „moeten" stemmen, omdat je nu eenmaal hebt geleerd dat op een christelijke partij te doen. Hun kinderen, waaronder juist veel actieve en geëngageerde jongeren, vinden dit, begrijpelijk, een te fossiel argument om het voorbeeld van deze ouders te blijven volgen. Op dit voor de politiek dodelijke gevaar van „verburgerlijking" heeft Goudzwaard gewezen: „De politieke organisatie doet een investering in mensen die toch wel op je zullen stemmen. Dat doet de kwaliteit van die organisatie geen goed. Dat is vermoedelijk ook de reden geweest dat de Democratia Christiana in Italië zo verworden is. Er is ingespeeld op de verplichting: „hoe beroerd we het ook doen, jullie zijn gehouden op ons te stemmen" (Voorlopig, mei 1981, p. 157).

,,Jemoetnu eenmaal CDA stemmen" 168

Als deze ontwikkeling de zuigkracht is geweest die aan de éne kant een protestants politiek vacuüm in Nederland heeft doen ontstaan, er is ook een andere kant. Dat is de kant van het EOprotestantisme. Hier geen kleurloosheid. ,,Eigenlijk mag ik de EO wel, het is ten minste een omroep met een duidelijk herkenbaar gezicht", aldus Klei in Trouw van 2 januari; ,,De EO is lekker tegendraads en slaat meermalen een agressief toontje aan, dat verkwikkend is te midden van de hoeveelheid laf geleuter die we via Hilversum en Bussum in huis krijgen". Er zijn in Nederland voor protestanten ook politieke partijen te vinden. Dat zijn de soort partijen waarover in vroegere AR-kringen weliswaar met eerbied werd gesproken, maar waartegen men toch het bezwaar koesterde, dat die óf kerkelijk gebonden waren (in feite was dat het model van de verworpen katholieke opvatting van de verbinding tussen geloof en politiek), óf het politieke handwerk als zodanig lieten liggen, in de mening dat zij konden volstaan met een even gemakkelijke als aanmatigende vorm van „getuigenispolitiek". Inderdaad moet van de terwille van de ,.oecumene" opgeheven AR-partij worden gezegd dat die zelf reeds principieel oecumenisch en niet kerkelijk gebonden was (hoezeer zij sociologisch ook i^erbonden was aan de in hoofdzaak gereformeerde volgelingen van Kuyper, die veel meer dan een uitsluitend politiek leider is geweest). Doordat de politiek ,,vrij" was van directe kerkelijke beïnvloeding (hetzelfde,, i/r//'" als in „ Vrije Universiteit") kon de politieke arbeid volop worden erkend in zijn eigenheid alspo//f/e/f,,terrein des levens". Dat daar voor de christen een onontkoombare roeping lag (voor steeds meer mensen lijkt die tegenwoordig ontkoombaar, delegeerbaar te zijn), betekent niet dat daardoor de politiek minder politiek werd; integendeel zij werd er des te ernstiger door genomen.

Dit alles was voluit,,reformatorisch", in de zin waarin dit woord, via wat Max Weber de ,,neocalvinistische" beweging van Kuyper noemde, sinds de vorige eeuw in Nederland is gaan functioneren. Op dit moment is voor mij de belangrijkste typering deze: de omvang van de problemen kwam niet in mindering op het besef van de noodzaak eraan te werken. Dit is — na Colijn — onder gereformeerden weer nieuw: „ VanAgtzal wel weten wat hij doet". Is zo in het politieke — en religieuze — ,,midden" van de Nederlandse samenleving sprake van zeer onreformatorische tendensen, aan dit organisatorische en bewustzijnsvacuüm wordt van protestants ,,rechts" nog eens stevig meegewerkt door zijn pretentieuze toeëigening van het woord ,,reformatorisch". Dit maakt veel bewust reformatorische christenen van vandaag schuw het nog langer voor zichzelf te gebruiken. In het midden des lands is een scholengemeenschap die de aanduiding ,,Reformatorisch" van

Het woord „reformatorisch" wordt onterecht toegeëigend haar schoolgebouwen heeft verwijderd, omdat die niet meer zo functioneert als twintig jaar geleden: het publiek denkt ten onrechte dat de school er speciaal een is voor leerlingen bij wie thuis het Reformatorisch Dagblad wordt gelezen of die afkomstig zijn uit een SGP-miiieu. Er tekent zich in de Nederlandse samenleving dus een protestants politiek-organisatorisch vacuüm af. Niet dat christelijke organisatie een doel op zichzelf mag zijn (bij voorbeeld: ,,democratie is alleen maar goed als „christen" democratie). Maar in de Nederlandse historische verhoudingen (hierop valt alle denkbare nadruk) heeft het betekend dat voor een actieve en historisch gearticuleerde bevolkingsgroep die geloof en politiek steeds heeft willen zien als innerlijk op elkaar betrokken, het belangrijkste handvat hiertoe is vervallen: de eigen sociologische ruimte voor politieke activiteiten bezinning. Kort geleden deed de synode van de Gereformeerde Kerken er een schepje bovenop door over het spreken van de kerk over politieke vraagstukken een beperkend geluid te doen horen, een

vu-Magazine 11 (1982) 5 (mei)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982

VU-Magazine | 484 Pagina's

VU Magazine 1982 - pagina 186

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982

VU-Magazine | 484 Pagina's