VU Magazine 1982 - pagina 69
zijn van de duur van de zwangerschap. Wat doodgeboren kinderen betreft geldt hetzelfde, maar dan is men daartoe slechts verplicht, wanneer de zwangerschapsduur minstens 28 weken geduurd heeft en of het geboortegewicht van het kind 1.000 gram of meer is en of de lengte van het kind 35 cm of meer is. Deze criteria omtrent doodgeboorte, zijn duidelijk gebaseerd op de heersende ideeën over levensvatbaarheid van het kind in de tijd dat deze wettelijke regeling totstandkwam. De verplichting tot het te allen tijde aangeven van het kind dat levend geboren wordt, stoelt uiteraard op de gedachte dat een zodanig kind in principe als levensvatbaar moet worden beschouwd, omdat het levend geboren is. Dit laatste blijkt echter lang niet altijd het geval te zijn. Een kind dat bij 472 maand zwangerschapsduur geboren wordt, kan weliswaar enige tekenen van leven vertonen, doch moet niet in staat geacht worden ook niet met intensieve zorg van buitenaf, buiten de baarmoeder zelfstandig te leven. Dit heeft dan ook geleid tot de situatie dat in de praktijk voor de 28e week van de zwangerschap voor kinderen die levend geboren worden en korte tijd later overlijden, dezelfde criteria gehanteerd worden ais bij doodgeboorte. Dit aangeven en met name het niet-aangeven, wordt in belangrijke mate bepaald door de procedure die men genoodzaakt is te volgen, wanneer het kind of doodgeboren is, of direct overlijdt. Er is dan namelijk niet alleen een verplichting tot aangifte bij de burgerlijke stand, maar tevens een verplichting tot een teraarde bestelling zoals geregeld is in de daarvoor geldende wet.
Gebrek aan cijfers Dit verplicht zijn tot begraven leidt in een ontoelaatbaar groot aantal gevallen tot niet-aangeven, daardoor tot niet-geregistreerd worden en daardoor tot een uit verloskundig oogpunt, rampzalig te noemen gebrek aan cijfers. Het is weliswaar begrijpelijk dat men een echtpaar of een vrouw, waarvan het kind vroeg overlijdt, de verplichtingen van een begrafenis wil besparen, maar men doet de verloskunde er als zodanig geen goed mee. Wanneer men namelijk het
probleem goed wil kunnen afpalen, dient men te beschikken over betrouwbare cijfers. Deze zijn er nu niet. Ik heb zelf in mijn proefschrift een schatting gemaakt over het aantal vroeggeboortes in Nederland, waarbij ik dan bedoel partus immaturus, en ik kwam daarbij op getallen van circa 1.500 per jaar in Nederland, waarbij aangetekend dient te worden dat dit zeker niet altijd levensvatbare kinderen zijn. Wanneer wij echter teruggaan naar de kinderen waarover de post-academiale cursus gaat, en daar bedoelen wij die kinderen mee die geboren worden tussen de 26ste en de 32ste week van de zwangerschap, ofwel 6 maanden en IVï maand ofwel kinderen die een geboortegewicht hebben van tussen de 750 en de 1.500 gram, dan blijkt ook hierover voor wat betreft de frequentie van voorkomen geen betrouwbare informatie te bestaan. Op grond van cijfers van de Stichting IViedische Registratie van het Centraal Bureau voor de Statistiek en puttend uit jaarverslagen van een aantal klinieken, kom ik op een aantal kinderen in deze periode geboren van rond de 2.500 per jaar. Dit geeft de orde van grootte aan van de problematiek. Om tot betrouwbare getallen te komen is het uiteraard van groot belang, dat alle geboorten in Nederland goed geregistreerd worden, ook in de periode waarover we op de post-academiale cursus spreken. Daardoor lijkt het nuttig om een ontkoppeling tot stand te brengen tussen aangifteplichten begrafenisplicht. Wij zuilen zeker een voorstel doen. Gelukkig doet een landelijke werkgroep, los van alle wettelijke verpiichtingen, al een poging om van alle ziekenhuisbevallingen in ieder geval die bevallingen te registreren, die na de 20ste week plaatsvinden. Dit initiatief verdient zeker steun omdat alleen op deze wijze echte betrouwbarecijfersnaarvoren kunnen komen. De volgende stap die dan gezet zal moeten worden, is de bestudering van de vraag hoeveel kinderen echt levensvatbaar zijn en wat er gedaan moet worden om de kansen van die kinderen zo goed mogelijk te maken.
Levensvatbaarheid De levensvatbaarheid van de kinderen wordt uiteraard door een aantal factoren bepaald. De belangrijkste factor in onze dagen en in onze (Nederlandse) wereld lijkt te zijn het goed kunnen functioneren, desnoods met hulp van beademingsapparatuur van de longen van de kinderen. Wanneer de longrijping niet zodanig ver is voortgeschreden, dat er sprake is van functionerend longweefsel, dan is elke poging om deze kinderen in leven te houden tot mislukken gedoemd. Deze longrijping vindt in het algemeen niet plaats voor de 26ste week maar zal in de weken na de 26ste week plaatsvinden. In onze kliniek hebben wij dan ook in overleg met de afdeling neonatologie afgesproken dat de levensvatbare periode in principe begint vanaf de 26ste week, en zijn wij bereid om vanaf die pehode kinderen geboren te laten worden, als het moet of niet anders kan. Over de etiologie, ofwel de oorzaken van vroeggeboorte is bijzonder veel geschreven, maar de visie op het probleem is zeker niet bij alle onderzoekers gelijk. Men kan stellen dat er twee grote groepen van oorzaken zijn, namelijk oorzaken waarbij de moeder een rol speelt en die oorzaken waarbij de foetus en de placenta een rol spelen. 63
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982
VU-Magazine | 484 Pagina's