VU Magazine 1982 - pagina 436
Roelagsteeg vertelde de diaken dat er bij hem ook enkele katholieke kinderen op school zaten. De ouders wilden dat de meester hun kinderen uit roomse boeken zou laten leren. Als hij dat weigerde liep hij de kans dat de ouders hun kinderen bij hem van school zouden nemen en dat scheelde hem in zijn inkomsten. De kerkeraad verzekerde de meester dat hij op zulke verlangens niet in mocht gaan. Nu kon hij zich achter dit verbod verschuilen. Op katholieke meesters is de greep kleiner. In dit geval benadert de kerkeraad de ouders van de kinderen. Dit gebeurde toen op enkele scholen ook de gereformeerde kinderen katholieke boeken kregen en zelfs mee zouden doen aan een toneelspel. Ds. Carpentier kreeg de opdracht de ouders te bezoeken en er bij hen op aan te dringen hun kinderen niet langer naar zulke scholen te laten gaan. Hoe goed de kerkeraad over de scholen geïnformeerd is blijkt in maart 1693 als de scriba de opdracht krijgt een lijst samen te stellen van alle katholieke en sociniaanse scholen in de stad. De lijst geeft een totaal van zevenenveertig scholen en in vrijwel alle gevallen zijn de meesters en de schooljuffrouwen met naam en toenaam bekend. In de tweede helft van de zeventiende eeuw had de kerkeraad van Amsterdam vele bemoeienissen met het onderwijs. Zij beschikte over middelen om de meesters aan zich te binden en op hun doen en laten toezicht uit te oefenen. De predikanten gingen ervan uit dat de kerk hier en een belangrijke taak had en probeerde deze zo goed mogelijk te vervullen. De motieven In de notulenboeken van de classi en kerkeraad van Amsterdam zijn aantekeningen te vinden, die aangeven waaruit deze aandacht voor de scholen voortkomt. Bij een schoolmeester uit Blaricum, die van zijn vrije tractement niet meer kon rondkomen, dacht de classis niet alleen aan de meester in zijn bijzonder armeleijke omstandigheden. Het inzicht dat deze zaak grote en schadelijke gevolgen had voor de reformatie van die plaats, stond hun duidelijk voorogen. In een brief aan de burgemeesters van Amsterdam schrijft de classis over de voltooiing van de reformatie te Emmeloord. Immers de priester en de katholieke schout waren verwijderd, de kerk was ingericht voor gereformeerde godsdienstoefeningen en daar was nu een gereformeerd schoolmeester aangesteld. In de praktijk betekende
398
de reformatie niet alleen de kerk en de bestuursposten in handen van geloofsgenoten brengen, maar de school hoorde daar onverbrekelijk bij. de taak van deze schoolmeester op het eiland Emmeloord staat zo omschreven: ,,om alzoo de paepsche Jeugd te onderwijsen, ende pedententim (voetje voor voetje) van haer superstitieuse dwalingen af te trecken''. Volgens de classis en de kerkeraad van Amsterdam leveren de schoolmeesters een belangrijke bijdrage tot de reformatie. Zij namen aan dat de meesters onmisbaar waren voor het toedienen van de heilzame reformatie aan de jonge jeugd. De school is zo op de eerste plaats een belangrijk middel om de jeugd tot de ware religie te brengen. Het hoofddoel van dit onderwijs is dan niet de voorbereiding op een plaats in de maatschappij, maar de opvoeding tot goed christen. In dit onderwijs waar de kerk zo nauw bij betrokken is en voor een belangrijk deel zelfs van haar uitgaat, neemt het godsdienstonderwijs een centrale plaats in. Dat is niet alleen zo waar een gereformeerd schoolmeester voor de klas staat. De kerkeraad verklaart dat zij zo goed mogelijk let op degene die de kinderen onderwijst, omdat het gevaar van slechts beïnvloeding zo groot is. Daarmee doelde de vergadering vooral op de kloppen, katholieke lekenzusters, die in het onderwijs actief waren en de kinderen de roomse leer bijbrachten. Vanuit deze achtergrond is het begrijpelijk dat de kerkeraad nauwlettend toezag op de handel en wandel van de schoolmeesters. Goed voorbeeld doet goed volgen en daar komt het in de eerste plaats op aan. Dat bleek bij de benoeming van meester Egbert Lambertse. Al las en schreef de meester niet zo goed, op zijn leven viel niets aan te merken en in de catechismus was hij goed thuis. De meester is aangenomen en dat geeft aan wat voor de kerkeraad het zwaarste woog. In het Diaconieweeshuis namen de predikanten de wezen twee maal per jaar een examen af: „in t stuck van de religie en van lesen en schrijven". De volgorde van de vakken is beslist niet willekeurig. De eerste taak van de meester is de kinderen de catechismus in te „planten". Met het inplanten is het van buiten leren of het inprenten bedoeld. Deze kennis, zo volgt uit de gehanteerde beeldspraak, is het beginsel waaruit de rest kan voortkomen. De kerkeraad en de classis van Amsterdam legden deze belangrijke taak in de handen van zijn schoolmeesters.
Deze conclusie is in overeenstemming met andere onderzoeken. Mevrouw De Booij constateert dat de kerkeraad van Utrecht er net zo over dacht. Van Deursen schrijft over het Holland uit de vroege zeventiende eeuw: ,,Dat is het doel van de gereformeerde scholen: voorbereiding op het kerklidmaatschap" . Hij merkt daarbij op dat ook de overheid de opvoedkundige taak van de schooi benadrukte. Het godsdienstonderwijs Door de verschillende aantekeningen over het godsdienstonderwijs aan de kinderen met elkaar te combineren, is het mogelijk voor een deel de feitelijke gang van zaken tijdens de godsdienstles te reconstrueren. Voor de kinderen die nog niet zo lang naar school gaan zien die lessen er heel anders uit dan voor de grotere. De grens ligt zo rond de twaalf jaar. In tegenstelling tot de ouderen krijgen de jongste leerlingen alleen van de meester les. De kerkeraad spreekt van een goede gewoonte dat de meester zich met de kleine kinderen bezighoudt en de predikanten de ouderen catechiseren. De'meesters onderwijzen de kinderen de beginselen van de religie, zoals zij dat zelf uitdrukken. Dat houdt in dat de jongste kinderen de tien geboden, het onze vader en de twaalf artikelen van het geloof zonder haperen leren opzeggen. De meester zegt de regels voor en de kinderen zeggen hem na. Daarnaast leren zij de antwoorden van de Heidelbergse catechismus. Deze bestaat uit honderdnegenentwintig vragen die over de tweeënvijftig weken van het jaar verdeeld zijn. Dat komt dus neer op twee a drie vragen in de week. De kinderen leren al vrij jong de antwoorden als versjes op te zeggen, ledere week oefent de meester de desbetreffende zondagsafdeling van de Heidelbergse catechismus in, zodat de kinderen ten slotte alle antwoorden van buiten kennen. De kerkeraad vindt dit wel een goed begin maar net geheel voldoende. Zij heeft graag dat de meesters hun leerlingen verder nog een kort-begrip van de Heidelberger aanleren. Een kortbegrip is een verkorte en sterk vereenvoudigde weergave van de Heidelbergse catechismus. Achter vele ,,gewone" catechismusboeken is een kort-begrip toegevoegd. De vragen en antwoorden hiervan zijn haast alle zodanig dat kinderen van deze kunnen begrijpen. Een tijdens de hele zeventiende eeuw op school veel gebruikt catechismusboek is de ,,Christelicke Catechismus der Nederlandtsche Ghereformeerde
vu-Magazine 11 (1982) 11 november 1982
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982
VU-Magazine | 484 Pagina's