VU Magazine 1982 - pagina 425
RoelfHaan:
De structurele betekenis van filantropie Wij hebben, niet in de laatste plaats door onze bewustwordingsinspanningen rondom het ontwikkelingsvraagstuk, geleerd enigszins neer te kijken op de „filantropie". Deze stoot immers niet door tot de kern van het probleem: de onderdrukkende maatschappelijke structuren, ja zelfs camoufleert en versterkt zij die. „Assistentialisme", zeggen de LatijnsaTienkanen. De Industriële revolutie heeft Dewerkstelligd dat ook de Christelijke sociale ethiek neenschrompelde tot een <westie van een persoonlijke olicht tot liefdadigheid. Over de structurele oorzaken van de armoede en maatschappelijke nood had de kerk op den duur mets meer te zeggen. In wezen omdat zij zichzelf met het nieuwe maatschappelijke stelsel l a d gelijkgeschakeld. Zij was net er mee eens. De enige sociale boodschap die zij als kerk Jaarom nog te brengen had A/as: eerbied voor ,,het" gezag. Daarmee hield in de praktijk van alle dag de kerkelijke sociae ethiek op. Dat was geen wonder: ,,voor een instelling die niet over een eigen zienswijze beschikt", heeft Tawney over het ' 8e en 19e eeuwse protestantisme opgemerkt, ,,ls het onvermijdelijk dat zij accepteert wat n de mode is." De enige uitlaat die de kerkelijke oproep tot naastenliefde en bestrijding /an onrecht nog over bleef, was die van de filantropie. Wij kijken daar, geleerd door onze ervaringen,-thuis én in de Derde Wereld, terecht kritisch tegen aan. Het gaat bij de bevordenng van de ontwikkelingskansen van de armen om echte ,,ontwikkelings"-problematiek, om structurele en mac•"o-economische veranderingen. Maar wat die macro-economie betreft: wij leerden in de jaren vijftig, dat die nu juist mede door financiële hulp vanuit de rijke landen kon worden bevorderd: zo zouden meer investeringen kunnen plaats vinden,
VU.Magazine 11(1982) 11 november 1982
die tot grotere produktie zouden leiden, zodat de ,,ontwikkelings'-landen zelf hoe langer hoe meer — uit dat grotere produkt — zouden gaan sparen, en uit die besparingen zélf investeren, • hetgeen verondersteld werd ten goede te komen aan de armen. De ,,vicieuze cirkel" van de armoede zou op deze wijze worden doorbroken! En: het conflict tussen een ,,struc*urele" en de ,,filantropische ' benadering was prachtig opgelost: hulpen ontwikkeling lagen in eikaars verlengde. Eenmaal het marktmechanisme in de ontwikkelingslanden door toedoen van onze hulp aangezwengeld, zou de ontwikkeling verder vanzelf gaan. Economie en ethiek hadden elkaar gevonden. Dit inzicht is terug te vinden in de namen van de vele organisaties die uit de periode van dit naoorlogse optimisme dateren; bij voorbeeld de ,,CCPD" van de Wereldraad van Kerken: de ,,Commissie voor de Participatie van de Kerken in de Ontwikkeling". Het duurde echter niet lang tot opnieuw, nu op dit internationale vlak, de kritiek opdook op deze door het ,,ontwikkelings"doel geheiligde ,,hulp". Was het eigenlijk wel hulp? Of was het het vullen van een gat in het internationale betalingsstelsel, dat anders tot onze eigen schade in elkaar zou vallen? Was het eenvoudig een uitlaat voor onze eigen investeringsdrang? Was het een politieke noodzaak, om tegen de reeéle of veronderstelde dreiging van het communisme, bevriende regimes in stand te houden? Het boek dat ons hier uit de droom helpt is nog steeds de in 1975 gepubliceerde, bij prof. Linnemann aan de VU verdedigde dissertatie van mr. W. G. Zeylstra: Aid or Development. (Zie VU-Magazine, februari 1975). ,,Hulp óf ontwikkeling" niet in eikaars verlengde, maar gezien als tegenstellingen. Hulp houdt ontwikkeling tegen. Hoe komt dat? Omdat, zoals
ambassadeur Zeylstra historisch aantoont, er éérst de hulp was, en tóen het ontwikkelingsoogmerk er als rechtvaardiging werd bijgedacht. Heel simpel uitgedrukt: onder ,,ontwikkelingslanden" verstonden we eigenlijk ,,landen die onze hulp nodig hebben". Die hulp i's er eenvoudig, wegens de juist genoemde motieven. Zij kan ook voortkomen uit activisme, of uit een drang tot afkoop van onze persoonlijke betrokkenheid bij het armoedevraagstuk. Zeylstra maakt hierbij een interessante opmerking: onze hulp betekent zo eigenlijk de ontkenning van het ontwikkelingsvraagstuk: als het een zaak zou zijn van behoefte aan hulp, dan is daarmee de aard van het ontwikkelingsprobleem miskent, omdat het niet is ontstaan dank zij onze westerse afwezigheid (als donors), maar door onze aanwezigheid (als politieke, en later economische machthebbers). Weer een doeltreffende kritiek dus op de filantropie. En ook deze veroordeling kunnen wij in haar algemeenheid onderschrijven. Des te opzienbarender is het om een van de grootste autoriteiten op ditterrein, de Nobelprijswinnaar Gunnar Myrdal (auteur van de bekende omvangrijke studie Asian Drama) te horen zeggen, dat hij met de tot heden gegroeide praktijk van hulp ter bevordering van de industriële ontwikkeling radicaal wil breken. Om terug te gaan naar de zuivere filantropie. De armoede in de Derde Wereld, zegt hij, is sinds de jaren vijftig alleen maar toegenomen. En de westerse investeringen hebben de belangen gediend van een systeem waarbij voornamelijk ons eigen bedrijfsleven én de voortdurend groeiende dictaturen in de Derde Wereld gebaat zijn geweest. Er blijkt maar een ding over, als we echt hulp willen geven: noodhulp. De bestaande praktijken gaan voorbij aan de meest directe nood, en aan de
machtsstructuren in de ontwikkelingslanden die ermee verband houden. Filantropie dus. Armoede is nood; een grenssituatie, een kwestie van leven of dood; een zaak van fundamentele mensenrechten, van lijden-wegens het ontbreken van een (echte) democratie. En daarin moet geholpen: bij voorkeur door speciale bilaterale programma's. Terug dus naar de 19e eeuw? Ik denk het met: terug juist naar het structurele probleem! De Geneefse calvinistische theoloog-econoom André Biéler heeft dit in een van zijn geschriften duidelijk onder woorden gebracht. De filantropie brengt mij in contact met de arme: oog in oog. (Het gaat dus om deze vorm van directe diakonie: niet die van de onpersoonlijke afkoop). De volgende ontdekking die we, wanneer we zo leren zien met de ogen van de arme, doen, is, dat hij,.technisch" geholpen moet worden om ,,op eigen benen te gaan staan" (het hulpcriterium is dus niet: ons commerciële voordeel). De derde,,fase" is dat wij tot het besef komen dat hij in zijn produktie- en/of verkoopactiviteiten wordt tegengewerkt: het probleem van de economische relaties. En zo komen wij bij het laatste station waar wij ontdekken dat die relaties, die (internationale) economische orde, wordt beheerst door ónze belangen. Via de filantropie, dat is de opheffing van de apartheid in de omgang tussen rijk en arm, zijn wij op het structurele vlak beland van de noodzaak tot verandering van ons eigen economisch stelsel. Het begon met een persoonlijke bekering (tot filantropie); deze loopt uit op een omkering: het werken aan structureel-economische problemen — en dat blijken onze eigen te zijn. Zo worden niet maar economie en ethiek met elkaar verzoend, maar economie en theologie, of liever: een economie en het hart van de christelijke boodschap. Want als het in de kerk om verandering gaat, wordt immers in de eerste plaats bedoeld de eigen verandering. Het kan niet beter gezegd worden dan met de woorden van de apostel Johannes: Wie in de wereld een bestaan heeft en zijn broeder gebrek ziet lijden, maar zijn binnenste voor hem toesluit (zelfs geen fooien die mij oog in oog met hem brengen) — ,,hoe blijft de liefde Gods in hem?"
387
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982
VU-Magazine | 484 Pagina's