VU Magazine 1982 - pagina 56
(De Graaf).'Dat zijn gehoor en het na het Van der Meiden optredende panel bestaande uit de weekbladhoofdredacteuren B. van Duijn (Hervormd Nederland), R. Ferdinandusse (Vrij Nederland), dr. F. A. Hoogendijk (Elseviers Magazine) en A. Kuiper (De Tijd) toch nog betrekkelijk bedaard bleef, lag vermoedelijk hieraan dat Van der Meiden — hoewel daartoe uitgenodigd — geen poging ondernam criteria te formuleren van normatieve aard, waaraan ,,journalistiek speurwerk" zou moeten voldoen. „ik meen, dat de journaiistieke wereld, ais Initiatiefnemer, zeil uitspraken moet doen t.a.v. de criteria die zij zelf denkt te moeten aantiouden en die dan ook aan het publiek ter beoordeling moeten worden meegedeeld." De aftrap voor de werkelijke discussie werd daarmee bij ,,de journalistieke wereld" gelegd en daarmee moet worden betwijfeld of er ooit wat zal gebeuren. Want er is geen ,,journalistieke wereld" waarbinnen minder verschil van mening heerst over de aan te houden criteria van normatieve aard dan bij,,het publiek". De journalistieke wereld strekt zich in Nederland reeds uit van de redacties van Story, Donald Duck en Candy tot aan de Saambinder, De Strijdkreet en EO-Visie en in engere zin van De Telegraaf tot aan De Waarheid. Het enige wat deze periodieken gemeen hebben is dat ze hun gedachten en gevoelens in de Nederlandse taal door de drukpers openbaren en dat zij waarschijnlijk gezamelijk een verlaging van de PTT-tarieven voor drukwerk voorstaan. Maarverder... Samen normen ontwikkelen van ethische aard om die dan ter discussie voor te leggen aan het publiek? De pluriformiteit van het Nederlandse perswezen bestaat o.a. hierin dat wat het ene blad morele plicht tot publikatie acht door het andere op morele gronden ongepubliceerd wordt gelaten. Waarbij dan ook nog de verdraagzame figuur kan optreden dat het ene blad geen behoefte gevoelt de hantering van andere normen door het andere blad te veroordelen. ,,Uw levensbeschouwing is nu eenmaal niet de onze." In zijn inleiding ,,Media-pluriformiteit als ethisch vraagstuk" signaleerde Diemers opvolger prof. dr. J. J. van Cuilenburg 's morgens reeds een zekere voldoening in Nederland over verscheidenheid in levensvisie. Na een tendens tot ontzuiling van de media te hebben gesignaleerd stelde hij: „•Toch zijn wij Nederlanders — wellicht sterker dan elders — blijven
50
hechten aan verschillen in levens- en wereldbeschouwing In ons volk. Dat gaat zover, dat die verschillen de hoeksteen van ons nationale mediabeleid vormen. We noemen het geen „verzuiling" meer, want dat doet teveel denken aan voorbije tijden. We gingen spreken van „veelzijdigheid", „verscheidenheid" en „diversiteit". Zo spreekt onze Omroepwet sinds 1978 ook over „verscheidenheid": nieuwe omroeporganisaties zuilen alleen tot het bestel worden toegelaten, wanneer zij „de verscheidenheid in de omroep" vergroten (art. 13, lid 3). We vinden die verscheidenheid zó belangrijk, dat we er ook steeds mooiere woorden voor kiezen. Tegenwoordig draait dan ook alles om de „pluriformiteit". De eerlijkheid gebiedt te vermeiden dat — voorzover na te gaan valt — het kamerlid Visser van D'66 deze term in 1968 in het Media-debat heeft geïntroduceerd. Maar pas met de Medianota van 1975 wordt de term „pluriformiteit" gemeengoed." Is hier sprake van een koestering (en bevordering) van overheidswege van diepgaande verschillen van levensbeschouwing in ons volk? Van georganiseerde verdraagzaamheid? Van gehechtheid aan een vertrouwde veelkleurigheid in het Nederlandse volk op een ander gebied dan klederdrachten, dialecten, volksdansen en nieuwjaarsgebruiken? Of bood de introductie van het positief gewaardeerde begrip ,,pluriformiteit" slechts de mogelijkheid aan vroegere voorstanders van één nationale omroep om in het kader van de omroep-
pacificatie zonder veel gezichtsverlies een bestel te aanvaarden dat vroeger te vuur en te zwaard was bestreden? Het is niet onmogelijk dat uit deze laatste behoefte de populariteit van het de laatste jaren in zwang geraakte begrip ,,pluriformiteit" moet worden verklaard. En dan diende zich met het begrip ,,pluriformiteit" niet zozeer een nieuwe waarde aan, maar was het meer de geniale vondst van een handige marketingman die met een nieuwe benaming een eerder in bepaalde kringen verworpen verschijnsel voor de omroeppolitiek acceptabel maakte. Het aanbod om pers en omroep vanuit één optiek te bezien ('n pluriform media-beleid) bood aanhangers van het nationale omroep-idee gelegenheid om hun doorontzuilingstendenzen en technische ontwikkelingen achterhaalde , ideaal zonder opvallende rouwplechtigheden te begraven. Wat onbenaamd op het terrein van de drukpers in een democratie als vanzelfsprekend werd beschouwd, moest op mediagebied een naam krijgen om de verouderde discussie,,nationaal of verzuild" met eendrachtige omhelzing van een nieuwe waarde te kunnen staken. Maakt deze geschiedenis onderzoek naar pluriformiteit en pluriformiteitscriteria niet tot een zaak, die.met overbodig veel drukte wordt omgeven? Ook voor wat betreft de pers meende prof. Van Cuilenburg terecht van niet. Weliswaar is onze samenleving veerkrachtig genoeg om zonder veel overheidsbemoeienis een pluriform mediabestel in stand te houden, stelde hij verwijzend naar onderzoeksresultaten in de sfeer van de landelijke pers.
vu-Magazine 11(1982) 2 (februari)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982
VU-Magazine | 484 Pagina's