VU Magazine 1982 - pagina 169
Politiek-neutrale hulpverlening is voor de betrokken politici rondom deze noodsituatie als een contradictio in terminis. Dat lijkt v/el een structureel gegeven te zijn voor veel situaties waarin massale hulpverlening nodig is, en het onderstreept het belang van organisaties die een reputatie van onpartijdigheid weten op te bouwen. Dat valt niet mee, want de meeste hulporganisaties zijn afhankelijk van donors, die allesbehalve neutraal humanitair denken. De onevenredig grote aandacht voor de problemen van Polen óf de Vietnamese bootvluchtelingen is daarvan een goede illustratie, evenals het feit dat hulp aan Kampuchea binnenlands nog steeds schoorvoetend verleend wordt in vergelijking met de hulpoperatie aan de grens. Het belang van een organisatie als het Internationale Komite van het Rode Kruis, die opkomt voor de rechten van de mens in conflictsituaties, is in zo'n situatie duidelijk en zij verdient een tactvolle diplomatieke ondersteuning van haar werk. De VN wordt in veel conflictsituaties lang niet vanzelfsprekend als een neutrale organisatie beschouwd. Van de gespecialiseerde VN-organisaties heeft vooralsnog UNICEF het meest bruikbare mandaat („hulpverlening aan kinderen en moeders In nood, ongeacht het regime") zeker voor vluchtelingenhulp waarbij het vaak vooral om vrouwen en kinderen gaat. Maar misschien verdient het langzamerhand wel overweging om een goede internationale organisatie op te zetten die gespecialiseerd is tn de coördinatie van hulpverlening bij rampsituaties, en die zich door kennis van zaken voldoende prestige verwerft om in noodsituaties een natuurlijk leiderschap te vervullen. Coördinatie van alle onmisbare inspanningen is immers een essentiële taak die goed vervuld moet worden, als men wil voorkomen dat in de chaos van een rampsituatie de middelen verkeerd worden ingezet, of — erger nog — verschillende hulporganisaties elkaar in de weg lopen of beconcurreren. Toen de aandacht van de wereld eenmaal op Thailand geconcentreerd raakte in de zomer van 1979 was de hulpverlening om zo te zeggen niet meer te stuiten. Binnen korte tijd liep het aantal buitenlandse hulporganisaties dat in Thailand wilde werken op tot boven de zestig. Coördinatie van dat soort werk is bepaald geen vanzelfsprekend gegeven, maar in dit geval kon het toevallig goed worden opgezet via een reeds bestaand coördinatie-orgaan van niet-gouvernementele
vu-Magazine 11(1982) 4 (april)
organisaties. Via dat orgaan vond overleg plaats tussen de hulpverlenende instanties onderling en werden taken verdeeld. Een heel belangrijk onderdeel van de coördinatie vormde de stroomlijning van het overleg met de Thaise autoriteiten. Het coördinatieteam maakte nieuwkomers onder de hulpverleningsorganisaties wegwijs in Thailand, de vluchtelingenproblematiek zelf, de hulpverleningsactiviteiten en de ingewikkelde administratieve regelingen die daaraan nu eenmaal altijd vastzitten. De nieuwgekomen personeelsleden en vrijwilligers werden voorgelicht over wat je wel en niet moet doen wil je in de gegeven situatie (politiek, cultureel, organisatorisch) effectief hulp kunnen bieden, en in de meeste gevallen werd daar ook wel naar geluisterd. Het is van groot belang dat dit soort coördinatie plaatsvindt omdat nu eenmaal lang niet alle door de publiciteit gemobiliseerde charitas ook ter zake kundig is en aangepast aan de gegeven omstandigheden en de bestaande behoeften. Soms kwamen hulpverleningsteams zonder enige kennis van zaken of voorbereiding ter plaatse aan en was het beste dat men kon bedenken de mensen maar zolang in een hotel op te bergen om te voorkomen dat ze de problemen verergerden. Daarmee wil niets ten nadele gezegd zijn van het vele voortreffelijke en onmisbare werk dat door veel particuliere organisaties en vrijwilligers onder moeilijke omstandigheden werd en wordt verricht. Wel kan het best nog eens benadrukt worden dat hulpverlening een antwoord moet zijn op de behoeften van de getroffenen en niet een reactie op de emoties bij het donorpubliek. Daarvoor zijn de situaties waarom het gaat te ernstig. Overleg met degenen die reeds ter plaatse zijn en al bezig zijn met de hulpverlening is daarom essentieel en een locaal coördinatiebureau kan daarbij onmisbare diensten bewijzen. Nog beter zou het natuurlijk zijn indien de hulporganisaties ook rondom hun thuisbasis op nationaal niveau enige coördinatie konden opbrengen, al was het maar in de vorm van wederzijdse informatie over eikaars werk en mogelijkheden. Een dergelijk coördinatiepunt zou dan ook als adres kunnen dienen om verzoeken die vanuit het veld komen op een efficiënte wijze doorte sturen naar potentiële hulpverleners, zodat men wat minder afhankelijk wordt van hetgeen eigener gelegenheid aan hulpaanbod in het veld verschijnt. Er valt heel wat te leren uit een nadere
beschouwing van wat er zoal gebeurt in en rond een grootschalige hulpoperatie zoals die in Thailand en Kampuchea. Het is belangrijk die lering ook te trekken, want noodsituaties waarin aan grote aantallen vluchtelingen hulp moet worden geboden, zijn een regelmatig weerkerend verschijnsel. Dat maakt een gestructureerde voorbereiding op dit type operaties mogelijk en ook zinvol; een doordachte voorbereiding op noodhulpverlening kan in veel gevallen kostenbesparend zijn en verspilling voorkomen. Maar vooral, het gaat bij vluchtelingenhulp dikwijls om mensen die have en goed — ja veelal ook hun familie — verloren hebben. Hun nood rechtvaardigt ruimschoots een serieuze en systematische aanpak. Anders gezegd: het is directe hulp aan mensen die met recht tot de armste groepen gerekend mogen worden en de lotsverbetering van zulke groepen is immers een belangrijk oriëntatiepunt voor de Nederlandse inspanningen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Er wordt nogal eens wat denigrerend over noodhulp gesproken. Dat zou liefdadigheid zijn, geen echte ontwikkelingshulp, omdat het geen structurele verbetering tot stand brengt. Een bedenkelijke stellingname. Van een niet onbelangrijk deel van de ontwikkelingshulp is het voorlopig nog maar helemaal de vraag hoe het voor de armen uitpakt; de meningen en verwachtingen dienaangaande zijn — om het voorzichtig te stellen — gevarieerd. Humanitaire hulp in noodsituaties heeft in vergelijking met het doorsnee ontwikkelingsprogramma een heel grote kans om tot lotsverbetering bij te dragen van mensen die er allerberoerdst aan toe zijn. Een belangrijk donorland als Zweden heeft daar bij voorbeeld de consequentie aan verbonden dat dan ook maar een belangrijk stuk van de voor hulp beschikbare fondsen aan noodhulp besteed moeten kunnen worden. Aan zo'n besluit zitten zeker nadelen voor de donor verbonden, ook al worden ze dikwijls niet zo duidelijk uitgesproken. Anders dan met veel ontwikkelingssamenwerking leent noodhulp zich vaak slecht voor het maken van politieke vrienden, wordt de export er nauwelijks door bevorderd en levert het weinig monumentale resultaten op. Gezien de aard van de zaak — en vooral gelet op de officiële doelstelling van de Nederlandse ontwikkelingshulp — mogen dat echter geen zwaarwegende argumenten zijn. Belijden we immers niet jaar in jaar uit dat het Nederlandse hulpbeleid zich met
155
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982
VU-Magazine | 484 Pagina's