VU Magazine 1982 - pagina 280
siteit is opgekomen heeft het journalistieke commentaar oude papieren. Vlen denke aan Groen, aan Kuyper. Hun traditie heeft Algra voortgezet, ook ten aanzien van de intussen nieuwe problemen en problematieken. ^oen in april 1972, een eeuw na de oprichting van de Standaard, Ben van Kaam bij ons een prachtige tentoonstelling had gearrangeerd, was naar algemeen oordeel Algra de aangewezene om haar te openen. Algra heeft gecommentarieerd en geopinieerd meer dan veertig jaren ang. Hij heeft het gedaan — niet aflatend, helder van stijl, toetsend aan principes en normen, lakend en prijzend al naar het pas gaf, met oog ook voor de ontwikkelingen. Destijds bij een jubileum van zijn krant was ook mij een bijdrage gevraagd. Ik nad toen behoefte even stil te staan bij de altijd weer intrigerende vraag naar het verschil, ook in de wereld van de media, tussen macht en gezag. Ik meende voor het gezag êen band te zien met vertrouwen dat aan een medium wordttoegedragen. Welnu, Algra en zijn krant waren vrijwel synoniem, zoals zijn krant en haar lezerskring. Er zijn weinig kranten waarbij ik dat zo heb ervaren. De erkenning van zijn verdiensten op het terrein van de beoefening van deze commentariërende en opiniërende journalistiek dan heeft geleid tot de toekenning van dit eredoctoraat. Bij mijn weten het eerste in de journalistiek, zoals het tegelijk een erkenning op dit niveau was van de betekenis die de journalistiek, mits uiteraard op verantwoorde wijze beoefend, gekregen heeft in onze samenleving. Onze universiteit heeft er goed aan gedaan. Het lag voor de hand dat het eredoctoraat ook voor mij de banden met Hendrik Algra nog heeft verstevigd. Men vergeve mij deze persoonlijke ontboezeming; er is een hartelijke vriendschap gegroeid tussen de oudere en de — betrekkelijk, ik erken het — jongere. Verscheidene malen ben ik vanuit het verre Rotterdam naar Leeuwarden gespoord (wie durft dan nog te beweren dat ons land klein is?), maar in de Huizemerlaan wachtten enkele uren waarin heel wat werd afgepraat. Soms was ik alleen, een ander maal met zijn medewerkers, ook met mijn vrouw. Wat had die man een herinneringen! Men stelle zich voor: hij had in zijn prille jaren Kuyper nog gehoord. Ik vroeg, denkend aan de wijze waarop wij in het verleden wel plachten te worden toegesproken: dat zal wel een zwaar stemgeluid zijn geweest. Maar nee, Kuypers stem was een hoog te
254
noemen en ook daardoor vér dragend. Bijzonder denk ik terug aan dat bezoek, vorig jaar zomer, met mijn vrouw. De eredoctor had zijn dochter vanuit Heerenveen ontboden, met auto en al, en gevieren reden we door het mooie Friese land: zijn geboortedorp Hardegarijp, zijn geboortehuis, de naar hem genoemde school, en zo oneindig veel meer. Een kenmerkend detail is me bijzonder bijgebleven. Bij zijn geboortehuis was een heg. Daarin, zo vertelde hij, was eens een meisje weggekropen bij het zien van een vreemd tafereel: vreemde mannetjes op vreemde paarden, kennelijk op weg naar de Friese hoofdstad. Het antwoord liet zich raden: de kozakken op weg naar Leeuwarden. En het meisje? Wie anders dan Algra's overgrootmoeder? In de regel kwam ik in de loop van de morgen bij hem. Hadden we wat gepraat, dan wilde hij verontschuldigd worden: hij ging koken. Dat deed hij namelijk zelf, en heel goed. Na het eten kwam de bijbel op tafel. Of ik voorkeur had voor een vertaling? Ja, zei ik, de Friese. En dat hoewel mijn kennis van de taal helaas nog te verwaarlozen is. Algra las Psalm 42;... Sa'tinreelongeret nei wetterlopen, sa longeret myn siele nei Jo, o God. Wêrom sa ferbüke, myn siele, watmakkest dy dochs oerstjoer? Wachtsje op God, want ienris sil ik Him wer loovje, myn eigen Ferlosseren myn God. Bij een volgend bezoek wilde ik hem verrassen. Toen hij weer naar de keuken ging, zette ik me aan de piano en speelde het Friese volkslied. Jammer, lichtelijk tot mijn teleurstelling reageerde hij niet. Mankeerde er iets aan? En ik had er nog op geoefend. Of had hij niet anders verwacht? Na elke maaltijd nog een klein ritueel: het Friesch Dagblad van die dag werd bezorgd, en even moest de krant worden ingezien, en vrijwel allereerst de familieadvertenties. Want ook in dit opzicht was Algra blijven leven temidden van zijn volk. En in de loop van elk bezoek gold ook voor de gasten als vrijwel verplicht nummer een bezoek aan het inderdaad mooie gebouw van zijn krant. Merkwaardig, mij als geboren en getogen Rotterdammer trekken de Friezen aan. Komt het omdat mijn vader in Scharnegoutum geboren is? Maar hij was de zoon van een afgescheiden dominee. Hij had net zo goed op een
andere standplaats geboren kunnen zijn. Ik denk even aan een andere Fries: Fedde Schurer. Diemer, schreef hij eens, is iemand om mee uit vissen te gaan. Helaas, ook hij is al vele jaren gestorven en het is er niet van gekomen. Wel heb ik hem nog eens opgezocht in Heerenveen. Algra en Schu-' rer hadden hart voor elkaar, zoals onder Friezen niet ongebruikelijk. Wat mij in de rouwdienst voor Algra op 4 juni bijzonder heeft getroffen was dat een deel der liederen in de Friese taal werd gezongen. Zo was het ook al het geval geweest twee dagen tevoren bij de rouwdienst voor Rein Boomgaardt, de oud-directeur van het Friesch Dagblad. Het In memoriam voor hem was het laatste artikel geweest dat Algra geschreven had. Twee Friese begrafenissen in drie dagen. Ik heb onder dat zingen maar wat geluisterd; er zijn van die ogenblikken waarop het zingen wat moeilijk afgaat. Als journalist heb ik vele overlijdensberichten moeten schrijven, maar altijd was het me wonderlijk te moede. Zo is het me nu ook. Na Rijnsdorp nu ook Algra. Nog zie ik hem staan in zijn voortuin, ons opwachtende. „Daar staat ie a l " , zei ik; ik ben ten slotte oud-journalist.,,Ik zie'm niet"', zei mijn vrouw, hoewel met een oud-journalist getrouwd. Maar dat kwam: hij had het koksschort al vast omgedaan. Ik zie hem nog in allerlei situaties. Zo zie ik hem nog bij mijn afscheid van de universiteit op 10 december vorig jaar; het was bar weer, maar hij was gekomen heel uit Leeuwarden, en bij het symposium die dag in onze universiteitsraadzaal kon hij het niet laten; hij nam op de van hem zo vertrouwde wijze, duidelijk en raak, deel aan de discussie. Hendrik Algra, de schrijver, de publicist, de journalist, zelf een open boek, een leesbare brief. Dankbaarheid en verwondering waren de beide polen in zijn leven. Op de zondag na de begrafenis, weer terug in Rotterdam, werd gezongen gezang 252:2: Geloof om veel te geven, te geven honderd-in, wij zullen leren leven van de verwondering: dit leven, deze aarde, de adem in en uit, het is van Gods genade en zijn lankmoedigheid. En het klinkt kinderachtig, maar het is waar: warempel — vergeef me deze expressie van een emotie — het zingen ging me even weer niet zo best af. Diemer
vu-Magazine 11 (1982) 7 en Sjuli-augustus
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982
VU-Magazine | 484 Pagina's