VU Magazine 1982 - pagina 306
voor een groot deel met het heerlijk geurende cederhout betimmerd. Tienduizenden mensen werden daarvoor hoog de bergen van Libanon ingestuurd om deze reusachtige bomen daar te vellen, om ze vervolgens naar de kust af te voeren. Tot vlotten gebonden werden ze zuidwaarts afgevoerd tot in de omgeving van de hedendaagse stad Tel-Aviv, om voorts meer landinwaarts richting Jeruzalem te worden vervoerd. De Libanon ceder was de nobelste, hoogste en meest massieve boom waarmee de Israëlieten toentertijd ooit in aanraking zijn gekomen. De bomen die een hoogte van zo'n 40 m bereikten, meteen stamdiameter van zo'n 3 m dwingen ontzag af vooreen ieder die ze aanschouwen konden. Jonge bomen hebben een min of meer piramidale groei, doch naarmate de jaren verstrijken groeien de takken meer horizontaal uit, waardoor zij een bijzonder opmerkelijke en majestueuze vorm krijgen. In Koning Salomo's tijd kwam deze karakteristieke bomen overvloedig voor in bergachtige streken van Libanon. Echterdoordegrote vraag naar deze waardevolle houtsoort zijn volwassen exemplaren nu uiterst zeldzaam geworden. Het was niet alleen vanwege de goede kwaliteit dat het hout van de Libanonceders in zulk een hoog aanzien stond, het symboliseerde eveneens grandeur, macht, waardigheid een verheven status, en ga zo maar door. Het was de koning der bomen in de plantenwereld zoals dat te vergelijken is met de leeuw in de dierenwereld. Niet alleen koning Salomo, ook Hiram en Cyrus, de koningen van Assyrië en de toenmalige heerser van de naburige landen plunderen de bergachtige streken in Libanon met betrekking tot de ceders om daarmee hun paleizen te verfraaien. De bouw van de geweldige
280
tempel van koning Salomo, die reeds onder Koning David werd begonnen vergde 7 jaar, terwijl de constructie van koning Salomo's privéhuizen alsmede dat van zijn vrouw — de dochter van de farao — en ander bouwwerken nog eens 13 jaar vergden. Om dat alles te realiseren, zond koning Salomo achtereenvolgens 30.000 dienstplichtige Israëlieten naar Libanon om met koning Hiram en zijn slaven de strijd aan te binden tegen de bomen van God terwijl hij daarna nog eens 150.000 werklieden — meest slaven, tijdens oorlogen buitgemaakt — en 3.300 officieren — in wezen een heel leger — inzette. Vanaf die tijd tot op de dag
van vandaag —bijna zo'n 3.000 jaar lang — hebben vele op zelfbejag uit zijnde, egoïstische, lieden het gewaagd, zonder er verder bij na te denken, een oorlog te beginnen tegen de groene wouden van de Libanonceders. Het gevolg was dat deze vruchtbare streken spoedig ten offer van de erosie vielen en er nu nog steeds bij liggen als een maanlandschap. Dit alles — uiteraard in veel groter verband gezien — is
de geschiedenis van het Heilige land, dat van een vruchtbaar land met palmen, druiven en wat dies meer zei — waar honing en melk vloeiden — werd herschapen in zijn huidige ongure, onherbergzame woestijnachtige vorm. De ironie wil dat de grondslag voor het kappen van de cederwouden gelegd werd door mensen die in de eerste plaats een tempel voor God wilden bouwen, hetgeen uiteindelijk resulteerde in totale kaalslag van het groeigebied van de Libanonceders, met alle gevolgen van dien. Nu wordt er weer veel moeite ondernomen op diverse plaatsen ceders aan te planten om zodoende te trachten de bossen van weleer weer te laten hergroeien. Dat dat onder de daar heersende extreem slechte condities, niet zo heel erg eenvoudig is behoeft hier uiteraard geen betoog. Als we ons bedenken, hoe lang het in ons Westeuropese klimaat — met zijn vele regen en goede bodemgesteldheid—duurt voordat een jonge Cedrus libani enige omvang heeft bereikt, zal het daar menselijkerwijs gesproken nauwelijks enig resultaat opleveren. Vanwege hun uiteindelijke omvang zijn ceders over het algemeen eigenlijk uitsluitend geschikt ter beplanting van grote tuinen en parken. Voor stadstuinen komen dan ook alleen dwergvormen in aanmerking waarvan zelfs enkele kleinblijvende cultuurvariëteiten ter beplanting van rotstuinen worden gekweekt. Meer toepassing vinden de bijzonder fraai gevormde kegels, die vooral in kerststukjes worden verwerkt. Die kegels dienen in onrijpe, nog gesloten, groene vorm geplukt te worden daar ze anders uit elkaar vallen, waarbij alleen de centrale spil op de tak achterblijft. Deze zien er dan net uit als een kaarsenstandaard, inclusief schoteltje waarin kaarsvet kan worden opgevangen.
URW l
I ^ I ^ I P d E i i l l l ^ d II
Lichte verschuiving naar rechts De trend van toenemende verrechtsing bij jongeren heeft zich enigszins weerspiegeld in de verkiezingen voor de Universiteitsraad van de VU in mei. De PKV (progressieve kiesvereniging) zag het stemmenpercentage onderde studenten zakken van 74.38 naar 69.9 procent. De VUSO groeide van 25.62 naar 30.81 procent. Toch leidde dat niet tot een andere zetelverhouding van de studenten in de Raad. De PKV behield haar 8 zetels en de VUSO haar drie, al was men dicht in de buurt van een vierde zetel genaderd. De opkomst voor de URverkiezlngen was matig, zowel bij studenten als personeel (van de niet westerse sociologen stemde slechts 20 %). De voorafgaande verkiezingscampagne was lauw. De nieuwe Universiteitsraad ziet er als volgt uit. Onafhankelijke WP (meer behoudend) 8 Onafhankelijke TAS (meer behoudend) 6 DAK (gematigd progressieve partij van WP'ersenTAS'ers) 8 PKV (progressief) 8 VUSO (behoudend) 3 Daarbij komen nog 7 Verenigingsleden die door het Bestuur van de VU-vereniging worden benoemd.
VU-Magazine 11(1982)7 en 8 juli-augustus
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982
VU-Magazine | 484 Pagina's