Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1982 - pagina 128

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1982 - pagina 128

4 minuten leestijd

Uit de Hortus

Aloë door Daan Smit „En ook kwam Nicodemus, die de eerste maal des nachts tot Hem gekomen was, en hij bracht een mengsei mede van mirre en aloë, ongeveer honderd pond". (Johannes 19:39) Zuid-Afrika is het thuisland van de meeste van de meer dan 300 verschillende Aloë-soorten die er tot nu toe bekend zijn. Een gedeelte daarvan vindt zijn verspreidingsgebied op Madagascar, terwijl een klein percentage voorts in diverse Centraalafrikaanse landen inheems is. In de tijd dat de bijbel geschreven is kwamen er van origine slechts weinig soorten in het Heilige Land voor. Vandaag de dag echter, zijn ze er erg algemeen en komen op sommige plaatsen zelfs verwilderd voor. Dit geldt trouwens voor elk land rond de Middellandse Zee. Deze planten zijn alle nakomelingen van soorten die hier door de mens zijn geplant, nadat bleek dat ze zich zo goed ontwikkelden als tuinplant. Ook ontstonden er door kruisbestuiving vele hybriden, waarvan de één rijker bloeit dan de ander. Welke soort nu precies aanspraak maakt op de passage in Johannes 19:39 is moeilijk met zekerheid te zeggen. Sommige auteurs zien Aloë succotrina als dejuiste, ofschoon dit soort in het geheel niet in het Heilige Land inheems was, noch van het eiland Socotra stamt, wat de soortaanduiding echter wel zou doen vermoeden. Als eerste gebruikte Dapper, desoortaanduiding succotrina in zijn ,,Nauwkeurige Beschrijvingen

der Afrikaenschen Gewesten", uitgegeven in Amsterdam in 1668 (met een latere editie in 1676), in het hoofdstuk ,,Het Eilant van Sokotora" op pag. 686, waarbij hij iets over de vegetatie van het eiland vertelt. ,,Hiergroe'iden grote hoeveelheden Sokotoriner Aloës, door sommigen succotrina geschreven, alsof ze succocitrina bedoelden, afgeleid van succusen citroen", hetgeen betrekking heeft op de geelachtige kleurvan de sapkristallen en dus niet op de naam van het eiland. Nu weten we echter na lang speuren dat Aloë succotrina van nature in Zuid-Afrika, groeiend in ravijnen van de Tafelberg, thuishoort. Aloë barbadensis echter, zou evenwel eerder in aanmerking komen, evenals — zij het in mindere mate — Aloë perryi uit So-

cotra. Planten behorend tot het geslacht Aloë, nu bekend als Aloë barbadensis (vroeger wel Aloë vera genoemd) waren reeds in de eerste eeuw van onze jaartelling bekend en mogelijk nog 2000 jaar eerder. Deze soort werd toen al in Egypte gekweekt en gebruikt bij het balsemen van doden. Ze werd ook gebruikt voor de beplanting van graven, hetgeen nu nog steeds wordt toegepast in landen als Somalië, Ethiopië en Eritrea. In oud Egyptisch bijgeloof werden aan deze plant speciale krachten toegekend. Het is bekend dat de plant in Caïro en omliggende gebieden vooral bij het ingebruiknemen van een nieuw huis boven de deur werd gehangen. Men zag het als een soort waarborg voor een lang en vruchtbaar leven van de bewoners. De aldus opgehangen aloëplant, bleef

Mg

nog jaren in Jeven en kwam zelfs tot bloei! Het natuurlijke groeigebied van A. barbadensis strekt zich in Noord-Af rika uit, van Marokko oostwaarts naar Algerije, Tunesië, Libië en Egypte, Palestina, Syrië, Griekenland, Cyprus, Malta, Sicilië en waarschijnlijk ook uitlopersvan India. Het schijnt dat deze soort eveneens in het wild voorkomt op de Kaap Verdische en Canarische eilanden en Madeira. Voorts is het vrijwel zeker dat planten van de Canarische eilanden doorde zeevarende Spanjaarden naar de Nieuwe Wereld werden gebracht waar ze nu in grote gebieden verwilderd voorkomen, in landen als de Barbados, Jamaica, Mexico, Porto Rico, Venezuela, Peru, Bolivië enz. Als medicinale plant is de aloë geen onbekende. Het sap, dat rijkelijk in de dikke bladeren aanwezig is, is erg bitter van smaak en werkt laxerend. Incultuurzijnaloë'serg makkelijke planten. Vooral wanneer we 's winters overeen koele, lichte plaats beschikken, en ze gedurende de zomermaanden van half mei tot half oktober buiten in de tuin uitplanten, kunnen we er veel plezier van hebben, in de volle zon gekweekt, zuilen de meeste soorten rijk gaan bloeien. De hoofdbloei valt over het algemeen gedurende de voorjaarsmaanden; er zijn echter ook soorten die dat gedurende de zomermaanden doen. Om mooie, goed gevormde planten te kweken, verlangen ze een niet te voedselrijk grondmengsel, dat o.m. kan worden samengesteld uit gelijke delen bladgrond en klei. Bevat het daarentegen te veel meststoffen, dan groeien ze uit tot slappe waterige planten. Vermenigvuldigen kan men aloe's d.m.v. zaad, via uitlopers en van stek. D

Aloë barbadensis

118

vu-Magazine 11 (1982) 3 (maart)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982

VU-Magazine | 484 Pagina's

VU Magazine 1982 - pagina 128

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982

VU-Magazine | 484 Pagina's