VU Magazine 1982 - pagina 58
structuur. Diemer: „Het zal geweest zijn in de jaren vijftig, ik woonde als journalist een landelijke vergadering bij van de AR Partij. Tot zover was alles in orde. Maar naast mij zat een collega van een socialistisch georiënteerd blad. Toen hij vanachter de bestuurstafel ontdekt werd moest hij heengaan. Buiten de zaal kon ik hem ter vertroosting mededelen dat kort geleden een bijeenkomst van de Partij van de Arbeid was geschorst teneinde mij in de gelegenheid te stellen de zaal te verlaten." De kranten zijn verzelfstandigd, signaleerde Diemer. Bij een aantal nam hij zelfs „een nieuwe oriëntering" waar, een „op zoek zijn naar een toch bestendige identiteit van niet zelden nieuwe signatuur". ,,Heeft die verzelfstandiging die ik signaleerde nu ook invloed op vormgeving en naleving —al dan niet —van de vakethiek?" Ten dele stellig, meende Diemer. ,,Een binnen een zeker kaderwerkend medium deelt allicht in de algemene ethiek zoals die binnen dat kader wordt aangetroffen. Tegelijk acht ik de stelling verdedigbaar, dat de journalistieke ethiek in ons goede land — en dat ongeacht het onderscheid naar levens- eo maatschappijbeschouwing van waaruit het medium werd beoefend — sinds jaar en dag al een eigen niveau van gedragsregels heeft vertoond, journalistieke valpartijen ten spijt. Mogelijk hangt dat samen met onze volksaard, die immers met de nodige ernst pleegt te doen wat de hand vindt om te doen, inclusief het opzetten van een medium." Al waarschuwde hij (zoals Van der Meiden nog weer eens deed) tegen het denken in verzamelbegrippen, dé media, dé pen, dé journalist (,,het ene medium is liet andere niet, zeker niet in alle opzichten") een ethiek voor de media achtte hij geboden.
52
Op grond van zes overwegingen. Met de opsomming daarvan willen we dit relaas besluiten. 1. de factor van de feitelijke onmisbaarheid die tal van media, elk in hun eigen bijzonderheid, zich hebben verworven ten opzichte van informatieverstrekking en opinievorming, ten opzichte van de ontspanningsfunktie ook, met als spiegelbeeld de situatie van afhankelijkheid waarin de ontvanger is komen te verkeren ten aanzien van zaken die als levensbehoeften mogen gelden; 2. die reeds opgemerkte factor ook van de verzelfstandiging, waardoor de media, ook wat betreft formulering en naleving van gedragsregels, geheel op eigen benen zijn komen te staan; 3. de omstandigheid dat de media, het een meer dan een ander, maar alle toch wel in hun mate, het karakter hebben gekregen van een machtsfactor te zijn in de menselijke samenleving, moeilijk controleerbaar — het tegendeel zou trouwens ook zijn ge-
vaarlijke kanten kunnen hebben — hetgeen echter alleen goed aanvaardbaar is tegenover een althans ethisch verantwoorde beroepsuitoefening; 4. de werking, inclusief wat zij uitwerkt, van de taakvervulling door de media, gelet ook op de vaak nog bestaande onzekerheden die er te dezen aanzien bestaan, en waarvoor ook de jonge ontluikende wetenschap nog slechts ten dele de antwoorden heeft gevonden; 5. dan de inderdaad negatieve overweging dat bij erkenning en nakoming van een redelijke mate van vakethiek de sfeer van vrijheid, die immers op zichzelf zo noodzakelijk is, zoveel mogelijk ongerept blijft, ook omdat zo de overheid weerhouden wordt van het aanscherpen der rechtsbepalingen; 6. en last but not least: het duidelijk sprekende menselijke element in dit alles: in de media worden mensen geïnformeerd door mensen en vooral over mensen." (BvK)
vu-Magazine 11(1982) 2 (februari)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982
VU-Magazine | 484 Pagina's