Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1982 - pagina 102

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1982 - pagina 102

5 minuten leestijd

Net als bij het utopische socialisme, dat mét het afsterven van de staat, het afsterven van het recht proklameert, berust genoemde utopie op de vooronderstelling van een grote identifikatie met gezamenlijke normen, die via een web van informele relaties worden gewaarborgd. Nagestreefd wordt een samenlevingsvorm met een normatief stelsel zonder afzonderlijke instanties. Normen worden in direkte interakties geëffektueerd. Dat recht — voor zover mogelijk — zonder inschakeling van instanties zou moeten kunnen werken, is op zich geen nieuw idee. Wie in de grotere effektiviteit van recht is geïnteresseerd, moet er voor zorgen, dat konformiteit door sociale konsensus ondersteund wordt. Waar rechtsregels iets voorschrijven, dat ver afligt van dat wat ook al zonder het ingrijpen van instanties gebeurt.

Anarchistische gedachten uit Duitsland naar Amsterdam brengen, is water naar de zee dragen moeten we er op rekenen, dat zij slechts zeer selektief zullen worden nagevolgd. Iets dergelijks geldt op rechtsgebieden, waar niet konformiteit met een bepaald gedrag wordt vereist, maar waar — zoals in het privaatrecht — een mogelijkheid wordt geopend, waar de betrokkenen al dan niet gebruik van kunnen maken. Zelfs zakenlieden beroepen zich maar zelden op kontrakten; liever regelen ze hun betrekkingen met zakenpartners op informeel niveau. Dit geldt nog veel sterker voor ons alledaagse leven: als regel laten we een aanspraak of een vordering maar zitten, om de sociale relatie in stand te houden. Want de hulp van een rechtsinstantie inroepen betekent vaak het einde van een relatie. Als beoefenaren van de sociale wetenschappen op zeer uiteenlopende rechtsgebieden aantonen, dat het recht altijd selektief werkt, dan leidt deze konstatering niet steeds tot de konklusie, dat het recht effektiever kan (en moet) worden. Het gaat hen vooral om het aangeven 92

Prof. dr. E. R. Blankenburg, die 22 januari zijn hoogleraarschap in de rechtssociologie aanvaardde met de inaugurele oratie, die u hierbij vindt afgedrukt, werd in 1938 in Duisburg geboren. Hij studeerde filosofie, sociologie en Duitse literatuur in Freiburg en Berlijn, daarna sociologie in de VS aan de universiteit van Oregon en sociologie en economie in Bazel. In 1966 promoveerde hij aan de universiteit van Bazel op een studie over de invloed van kerkelijke bindingen op verkiezingsuitslagen in Duitsland. Dr. Blankenburg verwierf in 1974 het recht de hoogleraarstitel te voeren door een „Habilitation". Voordat hij ingaande 1 juli 1980 bij de VU werd iienoemd, was hij docent aan de universiteit van Freiburg.

van de grenzen van de werkzaamheid van het recht en hun advies is, van die werkzaamheid niet al te veel te verwachten. Hier lijkt mij één van de belangrijkste bijdragen van de sociologie aan de rechtswetenschappen te liggen. Wanneer kriminologen onderzoek doen naar ,,dark numbers", dat wil zeggen naar de hoeveelheid niet-bestrafte deukten, dan is dat onderzoek niet noodzakelijkerwijs gericht op het verhogen van de effektiviteit van de vervolgende organen, maar eerder om te laten zien, dat het onmogelijk is, alles ,,aan te pakken". Zo wordt eerder het niet-ingrijpen gerechtvaardigd, dan dat er wordt aangedrongen op grotere justitiële inspanning. Wanneer politikologen de diskrepanties tussen de doelstellingen van wetgeving en de uitvoering daarvan laten zien, hoeft hun konklusie niet steeds te zijn, dat de wetgever de uitvoerders beter moet kontroleren, maar juist, dat er van te voren grotere marges voor beslissingen moeten worden ingebouwd. En in het privaatrecht bestuderen we de situaties, waarin men tot informele schikkingen komt, niet om de rigiditeit van de kontrakten te verhogen, maar om aan te geven, wat de beperkingen zijn van civielrechtelijke regels. We moeten ook voorzichtig zijn met de voorstelling van een ,,algemeen rechtsbewustzijn", dat betrekking zou hebben op zowel kennis van het recht en houding daartegenover, en veronderstelt, dat tussen kennis, een positieve houding en konformiteit een nauwe en positieve band bestaat. In de regel is de kennis van wetten bij de burgers heel gering. Zo toont de klassieke studie van de Noorse rechtssocioloog Aubert aan, dat het jaren duurde voor een wet, die verbetering

van de arbeidsomstandigheden van dienstboden beoogde, tot die dienstboden doordrong. Daarnaast bleek, dat het kennisnemen van de wet op geen enkele wijze korreleerde met het navolgen ervan. Dit komt overeen met resultaten van enquêtes, die aantonen, dat de attitude tegenover recht skeptischer wordt, naarmate iemand vaker met haar instanties te maken heeft gehad. Onderzochten die bestuursorganen en rechtbanken hebben leren kennen, zijn daar niet meer zo optimistisch over. Een positieve houding is vooral daar te vinden, waar personen weinig kennis van rechtsinstanties blijken te hebben. Voorzover het bij overtreding van een norm gaat om berekende handelingen, kent de overtreder de norm meestal beter dan degene, die er zich netjes aan houdt. Wanneer wettelijke voorschriften worden nagevolgd, dan is dat meestal te danken aan de indirekte sturing van het gedrag; ofwel omdat het hier toch gaat om al vanouds bekende gedragswijzen, ofwel door het konformiteit oproepende mechanisme van imitatie. ,,De anderen doen hettoch ook zo". Als rechtsvoorschriften effektief zijn, dan komt dat eerder ondanks het nietaktief zijn van instanties darr door hun ingrijpen, eerder ondanks het ontbreken van preciese kennis dan door het voorhanden zijn ervan. Bij het idee van een ,,maatschappij zonder recht" gaat het om meer. Men is niet uit op iets minder recht; dat willen ambtenaren op het ministerie van Justitie ook wel. Het gaat hen om de verwerkelijking van een struktuur van samenleven, die uitsluitend gebaseerd is op informele regeling zonder instanties. Rechtssystemen funktioneren altijd op grond van de voorwaarde, dat hun instanties slechts in uitzonderingsgevallen zullen worden ingeroepen. Het recht is er echter altijd als dreiging, waarbij verondersteld wordt dat uitsluitend deze dreiging de stabiliteit van het sociale geheel garandeert. Een maatschappij zonder recht zou een maatschappij zijn, waar de normen zonder dergelijke dreiging zouden kunnen. Om zulke samenlevingen op te sporen hebben rechtshistorici zich in het laatste decennium tot de etnologie gericht. Hun belangstelling is daarbij duidelijk geïnspireerd door dezelfde waarden als die, welke we in de alternatieve subkultuur zien. Zij gebruiken het etnologische materiaal voor een ,,kritiek van de beschaving". Zij houden zich met name bezig met maatschappijen, die aan de voorwaarde van gelijkheid voldoen en die met vu-Magazine 11 (1982) 3 (maart)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982

VU-Magazine | 484 Pagina's

VU Magazine 1982 - pagina 102

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982

VU-Magazine | 484 Pagina's