VU Magazine 1982 - pagina 140
In memoriam dr. C. Rijnsdorp door Thijs Booy De eerste keer dat ik Rijnsdorp ontmoette was begin januari 1945, in Rotterdam. Hij was toen vijftig jaar. Mij viel op, dat hij zo aandachtig en beminnelijk luisterde en dat hij uit het raam ging kijken, nadat ik gezegd had: „Wij willen niet alleen een vrij, maar ook een nieuw Nederland." 'k Kreeg het idee: hem verschijnt een visioen. Er kwam namelijk iets verhevens in zijn fijnzinnige gelaat en zijn ogen hadden een wondere glans. Hij antwoordde niet met betogen, maar met aforismen, eigen aforismen. Korte, flitsende uitspraken die volkomen ter zake waren. Over zichzelf zweeg hij geheel. Het dagboek dat hij in die tijd bijhield en dat in 1974 gepubliceerd werd, bevestigde dit beeld. Een waarnemer en iemand met standpunten en die deze standpunten zeer goed wist te verwoorden. En: een visionaire figuur. Het voegde aan de indruk wel iets toe: deze man die over zichzelf zweeg had met zichzelf heel wat af te worstelen. Maar daar wilde hij een ander niet mee belasten. Bij latere ontmoetingen bleek mij, dat het voor hem niet minder dan een trauma was, dat hij om des broods wille zijn jaren goeddeels moest vullen met administratieve bezigheden, die hém niet interesseerden en dat hij er zeer onder leed maar niet de kans te krijgen zich zo te ontplooien als hij begeerde: alleen maar cultureel bezig zijn, cultureel in de ruimste zin des woords. Dat alles was te pijnlijker, omdat hij zich geroepen voelde voor een cultuurtaak en wist, dat hem de capaciteiten geschonken waren om daar wat van te maken. Hij moest heel wat met zichzelf afvechten om geen verbitterd mens te worden. Hij werd het gelukkig niet. En ook daardoor kon hij een cultureel levenswerk van formaat nalaten. Rijnsdorp was een waarnemer, ook als hoogbejaarde. Een waarnemer als Rilke die hij vereerde, waarnemer in de zin van schouwer. Niet in de zin van toeschouwer. Dat schouwen ging zo diep, dat hij herhaaldelijk een ziener was. Dr. Ozinga riep eens uit, toen ik hem in zijn pastorie in Lunteren bezocht: Rijnsdorp reikt naar het geniale. In de eigen gereformeerde kring was hij zeer lang een eenzame. Hij had een
126
ander levensgevoel dan die kring. Voor hem was cultuur levenselement, voor die kring een bijzaak. Maar wegens die instelling werd hij niet een verworpene. Hoe zeer men ook neigde naar: één dogmatiek, één levensgevoel. Die kring was te dankbaar voor zijn in 1930 verschenen roman ,,Koningskinderen", die behalve literatuur een geloofsbelijdenis was. Op den duur kreeg hij in die kring toch gehoor. Die kring ontdekte, mede dank zij hem, dat zij iets wezenlijks ontbeerde: een engagement met de cultuur. Er was nog een emancipatiegebied te ontginnen. Rijnsdorp had de wijsheid bij die ontginning niet als leider op te treden, maar als welwillende mentor. Welwillende én zeer kritische mentor. Hij deinsde er niet voor terug geschriften af te kraken en opvattingen te lijf te gaan. Maar dan had hij zware argumenten. Gelukkig is hettonen van dankbaarheid niet uitgesteld tot na zijn dood. In 1965 verleende de Vrije Universiteit hem de titel van doctor honoris causa. Ik geloof niet, dat hij gedacht heeft: dat gaat werkelijk te ver, de broeders zijn gek geworden. Hij was bescheiden, maarwistwat hij waard was. Hij was wel zeer ontroerd en dankbaar. Zijn reactie leek op die van Oepke Noordmans. ,,Zeker even dankbaar", zei hij mij eens, ,,ben ik ervoor, dat ik van God zo geweldig veel jaren heb gekregen om me geheel aan het culturele te wijden
en dat mijn geest intact bleef. Zoveel oude mensen kunnen weinig meeren zeker niet in het creatieve veld." Er zijn in zijn generatie grotere dichters geweest en grotere romanschrijvers, maar als essayist hoorde hij tot de kleine top. Soms was zelfs een recensie een essay. Als essayist kon hij zo'n formaat krijgen, omdat hij een erudiet was, een bijzonder vermogen had om boeken te proeven, zeer goed kon typeren en omdat hij de taal zeer zorgvuldig en fijnzinnig hanteerde. En omdat hij alles en alles in een verband wist te plaatsen, vaak een verband dat een vondst was. Met hem verloren we ook een singulier briefschrijver. Die hebben we nietveel meer, nu ook Miskotte en Buskes dood zijn. Miskotte, zelf een groot stilist, bewonderde Rijnsdorp en was telkens weer verwonderd over hem.,,Rijnsdorp heeft iets klassieks" zei hij mij eens en met het woord , .klassiek" was Miskotte zuinig. In het VU-Magazinezij nog vermeld, dat dr. C. Rijnsdorp enige jaren lid was van de commissie van redactie en in het blad schreef. De vergaderingen van die commissie vonden vaak plaats in een vertrek, waar een portret van hem hing. 'kZag hem er eens naar kijken. Niet tersluiks. Hij deed niets tersluiks. 'k Probeerde onwillekeurig te peilen wat hij zatte denken. Zijn gezicht was ondoorgrondelijk. Dat is zijn werk per saldo ook. Bij zijn diepste bronnen kwam de lezer niet. Behoefte aan privacy? De hartstochtelijke begeerte niet in kaart te kunnen worden gebracht? In ieder geval was hij een waarlijk gelouterd mens en iemand die een leesbaar essay van Christus wilde zijn. Het is stiller in dit land, nu zijn stem niet meer klinkt en zijn pen rust. En wie zal zijn plaats innemen? Wie is zo universeel als hij was, zo doordrenkt van cultuur, wie heeft zijn intelligentie van het gevoel, wie heeft zijn gezag? Ik wil van zijn portret geen ikoon maken, maar die laatste vragen meen ik zeer serieus en zeer zakelijk. Het mag nooit weer gebeuren, dat een cultuurdrager van betekenis decennia achtereen verplicht is boekhouder te zijn.
vu-Magazine 11 (1982) 4 (april)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982
VU-Magazine | 484 Pagina's