Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1982 - pagina 429

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1982 - pagina 429

4 minuten leestijd

bestaande wettelijke regeling als achterhaald en ongewenst beschouwen. Een argument voor de juistheid van haar visie op de wet vindt zij onder meer in een Koninklijk Besluit uit 1978, waarin een verzoek wordt afgewezen van de rijksuniversiteit te Groningen

Openbare theologie verdedigen tegen opdringerigheid van gelovige wetenschap om, ten behoeve van de theologische faculteit aldaar, te mogen afwijken van wat bepaald is in de Wet Universitaire Bestuurshervorming en als proef kerkelijke docenten te rekenen tot het wetenschappelijk personeel in vaste dienst. De bewindslieden in kwestie achten het verzoek in strijd met de principes die ten grondslag liggen aan het onderscheid tussen openbaar en kerkelijk onderwijs. Kerkelijke hoogleraren behoren niet tot de universitaire ge-

vu-Magazine 11 (1982) 11 november 1982

meenschap, als bedoeld in de wet, meent het ministerie. Niet omdat men het niet heeft op dit soort lieden, maar ,,teneinde te waarborgen dat noch vanwege de rijksuniversiteit zeggenschap over het kerkelijk onderwijs, noch vanwege enig kerkgenootschap zeggenschap over het van rijkswege gegeven onderwijs zou bestaan." Wat voor Groningen geldt, geldt voor Leiden, meent mevrouw Kloos in haar artikel nietten onrechte. Aan het slot van haar betoog vat zij haar standpunt kernachtig en overzichtelijk samen. Er zijn in onze faculteit twee soorten mensen, schrijft zij: ,,degenen die slechts de godsdiensten, en degenen die bovendien ook God willen bestuderen. Ik reken mijzelf tot de eerste groep. Daargelaten of God wel of niet bestaat, voor mij kan hij geen factor zijn in de wetenschappelijke arbeid. Aan een „diepere samenhang" van de diverse disciplines via hun betrokkenheid op God heb ik geen behoefte. Mijn levensbeschouwing (en wat de bestudering van de godsdienst mij persoonlijk te zeggen heeft) acht ik mijn privézaak, een zaak die ik niet in het georganiseerde verband van de studie wens te bespreken. () En waarom zouden ongelovigen, die er genoeg in onze faculteit zijn, zich occuperen met een vak dat niet de godsdienst, maar nota bene God zélf tot onderwerp heeft? Daarom is dan ook het bestaan van een openbare theologische faculteit een grootgoed, dat met man en macht moet worden verdedigd tegen de opdringerigheid, ja tyrannie, van hen die de gelovige wetenschap willen uitdragen." De essentie van het verschil tussen theologie als openbare godsdienstwetenschap en als christelijk genormeerde Godgeleerdheid kan niet duidelijkerworden weergegeven. Kerkelijke hoogleraar Berkhof blijkt nochtans niet sterk onder de indruk van mevrouw Kloos' argumenten. In hetzelfde nummer van,, Universiteit en Hogeschool" schrijft hij in een korte reactie: het gaat niet aan de vraag naar God als ,,privézaak" tussen haakjes te zetten. Berkhof: mevrouw Kloos haalt twee dingen door elkaar. ,,De vraag naar de werkelijkheid en waarheid van „God" als die macht waarop de godsdienstige verschijnselen doelen, hoort volop in deze faculteit (dat is de Leidse — VU-m) thuis: zonder de bezinning op die vraag verliest ze haar bestaansrecht, want de studie van religieuze verschijnselenop-zichzelf kan evengoed bij letteren

en sociologie worden ondergebracht. Een rijksfaculteit (zo noem ik de „openbare faculteit" van Mw. Kloos) kan echter geen antwoorden op die vraag voorschrijven (even aangenomen dat zoiets in onze tijd überhaupt mogelijk was...)." Berkhofs standpunt is hiermee duidelijk: in een theologische faculteit dient de ,,vraag naar God" te worden gesteld, óf opheffing ervan en (terug)verwijzing van de ,,staatsvakken" naar hun ,,moederfaculteiten" is het enige alternatief. Wat opvalt in Berkhofs reactie is, dat ook hij zegt het behoud van het principe der scheiding van staat en kerk voor te staan. Het gaat hem erom te zoeken naar juridische vormen die, uitgaande van dit principe, de ,,schaduwkanten" van de duplex ordo kunnen wegnemen. Aanpassen in plaats van afschaffen dus, zoals ook blijkt uit zijn visie op het probleem: ,,Hoe wordt de scheiding van staat en kerk gehandhaafd en tegelijk de rijksfaculteit van godgeleerdheid op zulk een wijze gestructureerd, dat ze in haar aanbod van onderzoek en onderwijs en haar voorbereiding op diverse beroepsuitgangen, spec, de predikantsuitgang, niet achterstaat bij de bijzondere faculteiten en hogescholen in Nederland en bij de staatsfaculteiten in landen als Duitsland en Zwitserland? O Zeker is (), dat voor de oplossing de formules van honderd

Prof. dr. H. Berkhof: „Formules van honderd jaar geleden nief toereikend." (foto Klaas Koppe)

391

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982

VU-Magazine | 484 Pagina's

VU Magazine 1982 - pagina 429

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982

VU-Magazine | 484 Pagina's