VU Magazine 1982 - pagina 402
Dat heeft alles met macht te maken vindt prof. Van Aalderen. Een machtsrelatie tussen dokter en patiënt, waarbij het niet zo is, dat de een de ander bewust onderdrukt, maar dat verdrukte en onderdrukker eikaars rol wederzijds versterken. Het is niet ongebruikelijk, dat de patiënt wat dat betreft de arts onder druk zet om ,,c/e witte jas weer aan te trekken". Een anonieme macht dus, waaraan beiden zowel zijn onderworpen als deel van uitmaken. Dat die machtsrelatie stand houdt heeft echter ook te maken met de zelfgenoegzaamheid van de geneeskunde en het onaantastbare beeld dat zij van zichzelf oproept. In zijn toelichting op de eerste oorzaak van de falende huisartsenopleiding (de geringe belangstelling voor verandering van de medische opleiding) zegt Van Aalderen dat de geneeskunst zich blijft ontwikkelen in de verkeerde richting: in verdere specialisatie en verfijndere technieken, gericht alleen op het lichamelijke.,,Steeds meer van hetzelfde" in plaats van anders (en beter). Dit ondanks veel kritiek van diverse kanten. Zoals uit de hoek van de psycho-analyse en de ..fenomenologie" die erop
Huisartsen blijven vervallen in,,wittejassenaanpak". wijzen dat het ontstaan van ziekten veel dieper in de mens geworteld is en dat de geneeskunde zal vastlopen wanneer men daarvoor geen aandachtheeft. Andere critici wijzen op eenzijdigheid van een op natuurwetenschappen en techniek georiënteerde benadering. Van de ,,anti-psychiatrie" kan worden geleerd dat het stellen van een diagnose afhankelijk is van de manier van kijken van de individuele arts. De medische sociologie ten slotte houdt niet op te wijzen op de ongewenste bijwerkingen van het medisch bedrijf, zoals ongelijkheid in de relatie tussen arts en patiënt, die afhankelijkheid van de laatste ten opzichte van de eerste bewerkstelligt. De geneeskunde, aldus Van Aalderen, blijkt doof voor deze en andere kritiek, en vergroot dag aan dag de macht over de samenleving. De zieken zijn net slachtoffer en de huisartsen blijven met hun schuldgevoelens en hun
364
Prof. H. J. van Aalderen toen, tijdens het uitspreken van zijn oratie in 1974: Optimistisch handenwrijvend (foto AZVU)
angsten knel zitten tussen wal en schip. ..Het zijn deze inzichten geweest, die, aanvankelijk intuïtief en halfbewust en in een later stadium steeds helderder en bewuster, mij tot het besluit hebben gebracht, dat ik niet meer wil blijven meewerken aan een te eenzijdige bestrijding van de dood en ook niet meer wil blijven funktioneren in een systeem, dat — zij het doorgaans ongewild en ongeweten — behulpzaam is bij het onderwerpen van een samenleving aan zich steeds meer uitbreidende medicalisering", zegt prof. Van Aalderen aan het eind van zijn rede. Aan de scheidende hoogleraar vroeg VU-Magazine of hij die eenzijdigheid in de bestrijding van de dood nog eens wilde toelichten. Prof. Van Aalderen: ,,We zitten maatschappelijk en cultureel gezien in een geweldige ontkenning van de dood. We moeten jong blijven. We moeten gezond zijn en we doen alles om ziekten die mogelijk de dood naderbij kunnen brengen te bestrijden. Als uitvloei-
Niet meer meewerken aan eenzijdige bestrijding van de dood.
sel daarvan weten we eigenlijk geen raad met onze bejaarden bij voorbeeld, die we in onze maatschappij niet vinden thuishoren, omdat ze ons aan de dood herinneren. Ze hebben geen functie omdat we onze sterfelijkheid geen functie meer geven. Dat is de achtergrond. En de medische wetenschap is daarvan de grote voorvechter geworden. Die wekt de suggestie: de dood-IS te voorkomen, we kunnen ziektes bestrijden; en die paar ziektes waarvan we de oorzaak nog niet weten, komen ook nog wel. Als je analyseert wat de geneeskunde eigenlijk doet, dan zie je dat die veel te eenzijdig bezig is met het bestrijden van ziektes om de dood te voorkomen, veel meer dan te kijken naar de vraag: in hoeverre is deze ziekte verenigbaar met kwaliteit van het leven? Kanker bij voorbeeld. Kanker moet zo vroeg mogelijk herkend worden, zonder dat daarbij wetenschappelijk bewezen is dat het wat helpt. En als wij kanker geconstateerd hebben, dan gaan we bestrijden. Haast nog tegen beter weten in. We onderwerpen mensen aan behandelingen waardoor de kwaliteit van het leven verschrikkelijk daalt en mensen zich hardstikke roten beroerd voelen. Ze krijgen haaruitval, kunnen niet functioneren en moeten tijden in het ziekenhuis liggen. Dat geeft tijdelijk verbetering, soms een jaar, soms een paar jaar, en dan gaat het weer mis. Dan gaan we weer die hele behandeling geven en gaat 't weer een tijdje goed, maar nu veel korter. Daarbij wordt de patiënt voortdurend de illusie gegeven, dat we iets aan het redden zijn. De patiënt krijgt daardoor echter geen ruimte om te zeggen: nu is voor mij de tijd aangebroken dat ik aan de afronding van mijn leven toekom." VU-Magazine: U hebt 't nu heel duidelijk over ongeneeslijke ziekten. Allemaal goed en wel. Maar de vraag van een niet-ongeneeslijke patiënt aan de arts luidt toch terecht: ik ben ziek. maak mij beter? Van Aalderen: ,,Mijn verhaal is nog niet af. Ik noem het voorbeeld kanker juist om te laten zien dat deze houding van de geneeskunde consequenties heeft voor al het handelen van een arts. Dagelijks melden duizenden mensen zich bij artsen met klachten. Die klachten kunnen voor honderden-één dingen staan. Eén van die dingen is, dat daar een heel ernstige ziekte achter kan zitten die, eventueel op den duur, de dood tengevolge heeft. Maar in de meeste gevallen is die kans uiterst klein. De andere achtergronden van die klachten zijn veel waarschijnlijker. Wat nu gebeurt is, dat we
vu-Magazine 11 (1982) 11 november 1982
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982
VU-Magazine | 484 Pagina's