Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1982 - pagina 446

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1982 - pagina 446

5 minuten leestijd

overvloed aan informatie overooen en laten van de burgers van niets meer geweten hebben. De diepe indruk die Orwell's roman niettemin nog steeds maakt (en waarvan elders in dit nummer Frank Boddendijk nog weer eens blijk geeft), illustreert hoe zwak dit bewustzijn is. Het komt ook tot uiting in het voornemen de burger te overstelpen met radio- en tv-programma's. Niet alleen wordt gedacht aan een enorme opvoering van het aantal buitenlandse stations via de kabel, maar daarnaast wordt gedroomd van lokale stations, regionale, Belgisch-Nederlandse radio- en tv-stations en Europese. ,,Er kan meer", galmt Veronica,,,kabel en satelliet hebben de schaarste opgeheven." Maar nu ai ziet de burger door de bomen het bos niet meer. Wat moet hij aan met die ongevraagde meerdere informatie die hem (overigens niet kosteloos) wordt geleverd alleen maar omdat het technisch mogelijk is? Anderzijds zullen de aanbieders ongetwijfeld ontdekken dat er weliswaar geen grens is aan de mogelijkheden om informatie aan te voeren (desnoods pseudo-informatie), maar dat er een grote schaarste gaat ontstaan aan het slechts zwak in aantal toenemende publiek. Technisch is het zeer goed mogelijk een dagblad te maken in een oplage van 100, economisch niet en daarom blijft het aantal kranten in Nederland beperkt tot een nog overzichtelijk keuzepakket. Om dit heilzame effect ook voor de elektronische media te bereiken, bepleitte prof. Van Cuilenburg — om naar zijn inaugurele oratie terug te keren — een ,, herkenbaar prijskaartje" aan nieuwe informatiemogelijkheden te hangen. Beducht is hij voor uitbreiding van het bestaande aantal informatiekanalen uit een collectieve financiering (omroepbijdrage, belastingen enz.). Hij begon z'n beschouwing over „informatisering en de informatiesamenleving" met te wijzen op het inderdaad opvallende verschijnsel dat te midden van de algemene neergang van de economie de ,,informatie-industrie" een van de weinige groeisectoren is. Sommigen menen dat de komst van de informatiesamenleving het einde kan betekenen van de economische malaise waarin wij ons thans bevinden. De groei is inderdaad explosief. De jaarlijkse boekenproductie in de wereld bedroeg in 1960: 314.000 titels; vijftien jaar later — in 1975 — verschenen 568.000 titels. In 1964 bedroeg het aantal wetenschappelijke artikelen in tijdschrijften 800.000; tien jaar later — in 1974 — was dit verdubbeld tot 1,6 miljoen.

404

Nog sneller groeit de telecommunicatiesector, 18 % per jaar, wat neerkomt op een verdubbeling eens in de vier jaar. Van de Amerikaanse beroepsbevolking werkt nu al meer dan 50 % in de informatiesector (van onderwijs tot journalistiek, van de computerbranche tot de wetenschap). ,,Op basis van zo'n gegeven zou men kunnen zeggen", aldus prof. Van Cuilenburg, ,,datde VS nu reeds een informatiesamenleving vormen." ,,Ze produceren de meeste informatie" licht Van Cuilenburg VU-Magazine toe. Of de Amerikaanse samenleving ook de best geïnformeerde samenleving kan worden genoemd is weer een ander verhaal. ,,1-iet publiek is in veel hedendaagse beschouwingen over informatisering de grote afwezige", constateerde prof. Van Cuilenburg in zijn oratie. ,,De druk van de technologie en de economie is zo groot, dat de vraag naar de gebruikswaarde van informatie voor de ontvanger nauwelijks aan de orde komt." in de sector van de informanten, de journalisten, beleidsvoorbereiders, statistici en onderzoekers meende prof. Van Cuilenburg een heersend dogma waar te nemen, dat aldus luidt: „informatie is altijd goed, meer informatie is altijd beter."1s dat ook zo? Twee ontwikkelingen signaleerde hij in zijn oratie, die dat optimisme zouden moeten temperen. Hij had ze in twee stellingen samengevat. De eerste

Deverlor^^^H manjaren wÊÊ In gesprek met VU-Magazine gaf prof. Van Cuilenburg een voortteeld uit de universitaire praMijk iioe er een situatie kan ontstaan waarin de kosten van tiet garen van informatie die van (te opbrengsten kunnen overtreffen. Bij VU waren in 1982 dertien art>eidsplaatsen te verdelen uit tiet BLO-potje (Beieklsruimte Onderzoek). Binnen kwamen 63 aanvragen, aiie voorzien van uitvoerige t>esclir!|vingen van wat men daclit te onderzoeken. Een plan voor een onderzoek sctiud ]e niet uit de mouw. Daarover moet o.a. uitvoerig vergaderd worden. Hoeveel menskracht vergde het produceren van die 63 aanvragen? Een sommetje leerde Van Cuilenburg, dat elke aanvraag een kwart manjaar moet hebtwn gekost. Het ttesluit hoe die dertien manjaren te verdelen, vergde aan informatieproductie dus al vijftien manjaren.

kwam er op neer dat het informatieaanbod in de samenleving weliswaar exponentieel toeneemt (een verdubbeling per generatie) maar de maatschappelijke kennis (informatiegraad van de samenleving) echter minder dan evenredig. En het effect van vergroting van het informatie-aanbod op het handelen van mensen blijft nagenoeg constant. Met een voorbeeld uit de VS Illustreerde hij dat. Een Amerikaans fabrikant

Informatie als blindganger moest in 1950 voor het verkrijgen van goedkeuring voor een nieuw geneesmiddel 100 pagina's documentatie overleggen, tegenwoordig gemiddeld 72.000 pagina's. En daarbij gaat het nog steeds om dezelfde beslissing als 30 jaar geleden: wel of geen toelating van het nieuwe medicijn op de markt. Het leek hem dat deze overinformatisering nooit kan worden vertaald in een navenante verbetering van de kwaliteitvan de besluitvorming. In Nederland bestaat dezelfde trend. Departementen, politici en ministers beschikken tegenwoordig over heel wat meer informatie dan ooit tevoren. Tien jaar geleden werd daarvoor zelfs de WRR opgericht. Toch is het de vraag of dit alles tot andere en betere besluitvorming leidt. Met een voorbeeld uit zijn directe omgeving had prof. Van Cuilenburg dit kunnen illustreren. Inderhaast sloten CDA en VVD in oktober een (overigens vaag geformuleerd) media-akkoord. Het was een zaak van politiek handjeklap in enkele dagen. In hoeverre is daarbij echter gebruik gemaakt van de omvangrijke WRRstudies over het mediabeleid die enkele weken eerder van de persen van de Staatsdrukkerij gleden? (Tegen de vijf kilo papier). De tijd om deze berg informatie te verwerken hebben de politici nauwelijks gehad. Toch was al dat materiaal te hunnen behoeve bijeengegaard. Ook hierbij kan de vraag gesteld of zonder al deze informatie iets anders in het Media-akkoord zou hebben gestaan dan wat er nu in is opgenomen. ,,Men kan niet experimenteren of de geschiedenis overdoen", zei Van Cuilenburg in z'n rede, „maar Van Puttens vinding in zijn Haagse Machten dat van al dat werk van adviesraden en -commissies maar weinig aantoonbare invloed op het overheidsbeleid uitgaat, geeft zeer te denken."

vu-Magazine 11 (1982)12 december 1982

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982

VU-Magazine | 484 Pagina's

VU Magazine 1982 - pagina 446

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982

VU-Magazine | 484 Pagina's