VU Magazine 1982 - pagina 57
„Maar er kan ook gewezen worden op de grote geschakeerdheid van de tijdschriftenpers en op ons omroepbestel dat vergeleken met het buitenland zeker de toets van de pluriformiteit kan doorstaan. Maar waarom dan al die drukte over pluriformiteitscriteria? Als het dan zo goed gaat en als de overheid hier geen taak heeft, waarom dan bezinning op beoordelingscriteria voor media? We kunnen ons ervan afmaken door te stellen, dat de publieke controle op de media gediend is met een duidelijk inzicht in mediafuncties en beoordelingscriteria. Op zichzelf is dat juist, maar er is meer. Weliswaar is de mentale veerkracht van ons land wel zo groot, dat we de overheid hier kunnen missen, maar dat ligt anders in het materiële vlak. De vraag is, of wij al die media-pluriformiteit in de toekomst nog wel kunnen blijven betalen. Als er al een taak voor de overheid ligt, dan toch hier: gezien het democratisch belang van onze media moet de overheid generieke maatregeien kunnen treffen, die het media-klimaat gunstig maken voor pluriformiteit. Pluriformiteitscriteria zouden daarbij de media-barometer kunnen vormen voor het treffen
van zulke generieke overheidsmaatregelen." Na hem bezag dr. G. W. Noomen de „Internationale Communicatie als ethisch vraagstuk", een problematiek, die zich vooral opdringt door het naderende satelliettijdperk. Verschil van mening bestaat hoe het beginsel van de „free flow of information" moet worden geïnterpreteerd. Voor westerse landen, de VS voorop betekent dat: geen belemmeringen in de informatiestromen. Het Oostblok (de Russen) eisen eerbiediging van de nationale souvereiniteit van elk land en de Derde Wereld is duidelijk beducht dat de machtspositie van het rijke westen op de informatiemarkt nog aanzienlijk zal toenemen als er geen regels komen. De spijker op de kop sloeg Noomen ongetwijfeld met z'n opmerking „zonc/er overdrijving kan worden gesteld dat de discussie over internationale conimunicatie zich kenmerkt door een strijd om de macht van het woord in de ruimste zin des woords. Een strijd om hetvoor-het-zeggen-hebben." Nederlands nationale omroepstrijd ging in wezen om niets anders. Het is trouwens niet voor niets dat sinds jaar en dag machtsverhoudingen worden uitgedrukt in de posities die ingenomen worden in een communicatieproces. Wie dan ook praat over internationale communicatie als ethisch vraagstuk, komt al gauw terecht bij het onderwerp mondiale democratie. Los van elkaar zijn deze onderwerpen niet te knippen en begrijpelijk was Noomen dan ook weinig optimistisch over de haalbaarheid van een ethiek op het gebied van de internationale communicatie. „Het gaat hier immers om een ethiek met betrekking tot het verkeer tussen verschillende natiën en talen. Kan dat verkeer wel normatief worden geregeld? Over deze vraag is al lang en veel nagedacht. Er zijn sommigen die zeggen: uitgesloten, want internationale politiek is in wezen a-moreel: gerechtigheid, gelijkheid en vrijheid kunnen slechts worden gedefinieerd in termen van een gegeven, specifieke „way of life" en de hoogste ethiek is nationale zelfbescherming. Anderen zeggen: internationale ethiek is mogelijk maar zal slechts gelden voor het verkeer tussen staten die er ideologisch dezelfde opvattin-
VU-Magazine11 (1982)2(tebruari)
gen op na houden. De regels die men ten opzichte van gelijkgezinden in acht behoort te nemen gelden niet voor het verkeer met andersgezinden: de niet-gelovige wordt geëxcommuniceerd. Tussen deze opvattingen bevinden zich dan nog de zgn. „ethisch relativisten". Zij stellen dat de morele eisen aan een staat, die op de een of andere manier moet overleven in een samenstel van staten waarvan eik in aanleg een gewelddadige crimineel is en waarboven geen politieke autoriteit met een gezagsmonopolie staat, anders moet zijn dan de eisen die men aan de individu in een geordende geciviliseerde samenleving kan stellen. In de hiërarchie van met elkaar wedijverende morele claims moeten nationale belangen voorrang hebben hoewel staatslieden de plicht hebben deze zoveel als mogelijk is te verzoenen met belangen van anderen." Dr. Noomen kon zich het beste vinden in stemmen die menen dat langzaam opgeheven wordt de traditionele voorstelling van een internationaal systeem, louter samengesteld uit staten die zich kenmerken door totale en gelijke onafhankelijkheid, absolute en ondeelbare souvereiniteit, met overwegend betrekkingen in de vorm van competitie en conflict. In plaats daarvan komt een reeks begrippen op die de interdependentie van staten in een wereldsysteem tot uitdrukking brengen, een wereld — of transnationale samenleving die andere actors bevat dan de staat, evenals betrekkingen die zowel binnen de grenzen als daarboven bestaan en die minder het accent leggen op de territoriale dan op,,issue-dimensies". En dat zou ook voor het terrein van communicatie en informatie betekenis hebben. Behoefte zou er zijn aan de ontwikkeling van nieuwe concepten, gericht op dynamische in plaats van op statische verschijnselen. ,,Dat wil zeggen, niet wie of wat ze zijn, maar wat ze doen dient onderwerp van studie en analyse te vormen. Daarop zou een ethiek voor internationale communicatie betrekking kunnen hebben, ontwikkeld als een ideaal in een niet-ideale wereld", aldus dr. Noomen. En dan was er ten slotte, na de toespraak van prof. Van der Meiden 's middags met aansluitend weekbladhoofdredacteurenpanel, het afscheidscollege van dr. Diemer. Hij wierp menige (kritische) terugblik op hoe het vroeger was, toen veel kranten nog gebed waren in een hechte zuilen-
51
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982
VU-Magazine | 484 Pagina's