Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1982 - pagina 190

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1982 - pagina 190

4 minuten leestijd

over een lezing op de Ekonomische Fakulteit. Ook toen was zaal 2A-00 stampvol. Allereerst ging de heer Zijlstra in op de door de organisatoren geformuleerde vraag in hoeverre het monetaire beleid gericht moet zijn op inflatiebestrijding dan wel op werkloosheidsbestrijding op korte termijn. Daartoe behandelde hij eerst de verhouding tussen de drie belangrijkste makro-ekonomische beleidsinstrumenten, te weten het monetaire beleid, het loon- en prijsbeleid en het budgettaire beleid. Zijlstra is van mening dat het monetaire beleid moet voorkomen dat er vanuit de geldsfeer verstoringen in het ekonomisch proces optreden. Voor wat betreft het loon- en prijsbeleid stelt hij dat moet worden voorkomen dat de lonen sterker stijgen dan de gemiddelde arbeidsproduktiviteit. Bij het budgettaire beleid moet de overheid er voor zorgen dat het financieringstekort in principe met behulp van binnenlandse besparingen kan worden gedekt zonder dat er rente-opdrijving optreedt. Zijlstra verklaart dat voor hem deze drie instrumenten even belangrijk zijn. Hij verwerpt daarmee de extreem-monetaristische opvatting dat het bud-

Zijlstra: „ErisaI gestimuleerd bij het leven" gettaire en het loon- en prijsbeleid volledig inefficiënt zijn en dat de makro-ekonomische doelstellingen alleen met behulp van monetair beleid moeten worden nagestreefd. Zijlstra gaat echter niet zover dat het monetaire beleid volledig uit handen moet worden gegeven; verstoringen met betrekking tot de twee andere beleidsinstrumenten mogen volgens hem ten dele door het monetaire beleid worden gekompenseerd. Deze visie op de verhouding tussen de beleidsinstrumenten wordt wel gekenmerkt als ,,gematigd monetaristisch". Bij het financieringstekort van de overheid onderscheidt Zijlstra een endogene en een exogene komponent. De eerste is een gevolg van de ekonomische krisis (stijgende uitgaven voor uitkeringen en tegenvallende belastingopbrengsten). Hiermee moet dan ook voorzichtig worden omgesprongen. De exogene komponent moet echter rigoureus worden aangepakt.

172

V.l.n.r. prof. M. P. Gans, dr. J. Zijlstra en prof. dr. L. F. van Muiswinkel

Het betreft hier voornamelijk het herstellen van de begrotingsdiscipline die de laatste jaren, volgens Zijistra, volledig zoek is. Teruggekomen op de vraag ,,inflatiebestrijding versus werkloosheidsbestrijding op korte termijn" stelt hij, dat in de huidige periode van stagflatie, beide even belangrijk zijn en er van een tegenstelling geen sprake is. Beide dienen tegelijk, met de drie bovengenoemde beleidsinstrumenten, aangepaktte worden. Wat nu als het financieringstekort groter is dan uit binnenlandse besparingen kan worden gedekt? Dan kan de overheid lenen bij binnenlandse geldscheppende instellingen (door het plaatsen van schatkistpapier bij banken of bij de Nederlandsche Bank) of in het buitenland (kapitaalimport). In beide gevallen neemt de geldhoeveelheid toe en kan worden gesproken van monetaire financiering. Volgens Zijlstra heeft de Nederlandsche Bank met souplesse geprobeerd de geldhoeveelheid niet te veel te laten stijgen en de omvang van de monetaire financiering te doen afnemen. Beide doelstellingen zijn gerealiseerd: de liquiditeitsquote is sinds 1976 vrijwel

Wordt in deze tijd van stagflatie België het lonkend perspektief?

konstant gebleven en in 1981 werd er nauwelijks monetair gefinancierd. Voor 1982 verwacht hij dat het gehele tekort op de kapitaalmarkt gedekt kan worden (mét behoud van de dalende rentetendensen). Monetaire financiering is dus niet nodig en ,,als het niet hoeft moet je het zeker niet doen", vanwege het infiatiegevaar. Op dit moment hebben Nederland, Duitsland, Japan en Zwitserland de laagste renten ter wereld. Gooien we het monetaire roer om dan zullen we hetzelfde lot ondergaan als België, Denemarken en Zweden en substantieel hogere rentestanden krijgen, aldus Zijlstra. En juist nu is een lage rente van levensbelang voor het bedrijfsleven. Dat is dan ook de beste dienst die het monetaire beleid de bedrijven kan doen. Gans was, zoals verwacht, niet erg geestdriftig over Zijlstra's betoog. Hij betreurde het dat er in Den Haag nauwelijks gediskussieerd wordt over de tegenstelling tussen de „broekriemtherapie" (het huidige beleid) en de ,,stimuleringstheorie" (het beleidsvoorstel van Gans). ,,ln Den Haag wordt alleen gepraat over de vraag met hoeveel gaatjes de broekriem moet worden aangehaald", aldus Gans. De broekriemtherapie bestaat hieruit, dat enerzijds in verband met het hoge financieringstekort op de overheidsuitgaven moet worden bezuinigd, en anderzijds in verband met de lage bedrijfsrendementen de lonen moeten worden gematigd. Het beleid blijkt echter niet te werken.

vu-Magazine 11 (1982) 5 (mei)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982

VU-Magazine | 484 Pagina's

VU Magazine 1982 - pagina 190

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982

VU-Magazine | 484 Pagina's