Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1982 - pagina 427

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1982 - pagina 427

4 minuten leestijd

ling voor Ter Scheggets oratie zo groot en de spanning vooraf snijdbaar. Een oorzaak daarvan kan ook zijn de geruchtmakende wijze waarop zijn benoeming in Leiden uiteindelijk een feit werd, dan wel zijn politieke stellingname die daarmee verband lijktte houden. Wie zal het zeggen? Duidelijk werd echter, dat Leiden noch in last, noch ontzet was na het uitspreken van Ter Scheggets rede, waarin ,,het gebed als hart van de ethiek" centraal stond. Zij die gespitst waren op ,,revolutionaire uitglijders" of andere,,onwetenschappelijke uitspraken" — en die zaten er, al dan niet gehuld in toga! — kwamen bedrogen uit. Het werd een doorwrochte beschouwing over plaats en functie van het gebed, waarvan de wetenschappelijkheid nog benadrukt werd door het gebruik van wijsgerige en kennissociologische benaderingswijzen. Niets op aan te merken dus. En bovendien konden de voorstanders van een blijvend kerkelijk ongebonden, theologische faculteit in Leiden opgelucht ademhalen. Had Ter Schegget in zijn slotwoord, gericht aan de leden van de wetenschappelijke staf, niet gerept van het bestaan van twee typen van theologen in het Leidse en als vurige wens uitge-

„Onbeschroomde toepassing der critiekophet allercritiekste" sproken dat dit zo zou blijven, dat ,,de duplex ordo, in welke vorm dan ook zou voortbestaan"? Dat was andere koek, dan die zijn kerkelijke collega Van de Beek drie maanden eerder presenteerde. Want die, nog jonge professor verklaarde de scheiding van verantwoordelijkheden tussen kerk en staat, zoals deze in de loop der jaren aan de Leidse faculteit was uitgekristalliseerd, als onmogelijk. En hij ging zelfs zo ver om voor te stellen, voortaan de (hervormde) kerk alle docenten te laten benoemen. Het voorstel viel als een knuppel in het Leidse hoenderhok, dat sinds jaren verdeeld is over de kwestie van de duplex ordo. Wat behelst deze eigenaardige constructie, die twistappel is aan Rijksuni-

VU-Magazine11 (1982)11 noveniber1982

versiteiten, met name in Leiden? Voor het antwoord op die vraag moeten we terug naar 1876, toen de Wet op het Hoger Onderwijs van kracht werd en de splitsing van staatscurriculum en kerkelijke opleiding een feit. Die wet regelde onder meer, welke vakken wel, welke niet (van rijkswege) aan de faculteiten der Godgeleerdheid te Leiden, Groningen en Utrecht dienden gedoceerd. Net als bij de andere disciplines het geval was, werd aan het theologisch onderwijs de voorwaarde gesteld, dat het „openbaar" was. Dat wil zeggen: toegankelijk voor leergierigen van welke levensovertuiging ook en bovendien werd de wetenschappelijke godsdienstkritiek niet langer gebonden aan ,,van God gegeven en door de kerk op anderen weg dan die der wetenschap gevondenwaarheid." Van het onderwijsprogramma werden daarom geschrapt de vakgebieden, die men van kerkelijk of dogmatisch karakter achtte. De hervormde kerk (in die tijd de grootste leverancier én afnemer van Leidse theologen) kreeg als handreiking het recht gewaarborgd, om in die geschrapte vakken (dogmatiek, ethiek) te laten doceren- door eigen hoogleraren, die de synode benoemde. Deze kerkelijke hoogleraren kregen de status van buitengewone hoogleraren en een adviserende stem in de bestuurlijke organen van univer-

siteit en faculteit. Overigens kan niet worden beweerd, dat voor de Leidse faculteit deze ingreep een ,,Umwertung aller Werte" betekende. In de tweede helft van de vorige eeuw had zich inmiddels een „moderne Leidse school" ontwikkeld waaraan vooral de namen van Joh. Henr. Scholten en Abraham Kuenen zijn verbonden. Knappert schetst de algemene karaktertrekken van deze „moderne theologie": „De afwijzing van hetsupranaturalisme; de aanvaarding eener godsdienstig organische wereldbeschouwing, die alle mirakel uitsluit en slechts geleidelijke ontwikkeling toelaat (); de onbeschroomde toepassing der critiek ook op het allercritiekste; het losmaken van de exegese van de dogmatiek, de erkenning van alle godsdiensten als openbaring van den godsdienst. Zoo is zij dan de wetenschap van den godsdienst die uitgaat van dezelfde beginselen en arbeidt naar dezelfde methode als elke andere wetenschap." De hoofdstroom binnen de Leidse theologie kon zich, met andere woorden, zeer wel vinden in het wettelijk voorschrift om Godgeleerdheid en godsdienstwetenschap te scheiden. Niettemin zag, buiten Leiden vooral, een grote groep „ma//fontenten" deze duplex ordo met afschuw aan, en wenste geen vrijzinnigheid, geen theologische opleiding zonder godsdienstige bindingen en beginselen, geen

389

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982

VU-Magazine | 484 Pagina's

VU Magazine 1982 - pagina 427

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982

VU-Magazine | 484 Pagina's