VU Magazine 1982 - pagina 359
weten te doorbreken wacht in Nederland een uitzichtloos bestaan, zonder recht op werk of studie. Immers, hun aanwezigheid moet „zeer nadrukkelijk economisch worden beoordeeld", aldus de toenmalige bewindsman op Sociale Zaken. Het is een standpunt dat schrijnt van de benepen kortzichtigheid voor wie uit het verleden weet, hoezeer de vluchtelingen van vele nationaliteiten hebben bijgedragen aan Hollands welvaren.
Kwalijke pluimstrijkerij tegenover Derde Rijk De Duitse inlijving van Oostenrijk (in '38) brengt nieuwe vluchtelingen op de been. Maar „Nederland grenst niet aan Oostenrijk", aldus Colijn. En terwijl Potgieter in zijn graf zich andermaal omdraait doet Colijns regering een circulaire uitgaan naar betrokken ambtenaren, met de stelregel, dat een vluchteling voortaan als „een ongewenscht element voor de Nederlandsche Maatschappij" zal worden beschouwd. Want naar het oordeel van de regering dient „ons beperkt territoir voor de eigen bevolking gereserveerd" er\ moeten elementen geweerd die „het karakter van den Nederlandschen sfam " kunnen schaden. Tegenover deze bedenkelijke opstelling (wat is de Nederlandse stam?) staat dan de hartverwarmende houding van een aanzienlijk deel van de bevolking, zoals blijkt uit opvang en behandeling van de al wel in ons land verkerende vluchtelingen. Na de oorlog krijgt de Nederlandse visie op vluchtelingen een mildere tint. Ons land treedt toe tot de Internationale Vluchtelingenorganisatie en tekent het Vluchtelingenverdrag van Geneve ('56). Het duurt even wel tot '67 voor de positie van vluchtelingen in Nederland bij wet wordt geregeld en de rammelende Vreemdelingenwet van 1849 inclusief de daaraan gekoekte rafelrand van soms zeer tegenstrijdige gelegenheidswetgeving bij het oud papier kan. In de tussenliggend periode gaan individuele burgers en particuliere organisatie zich in toenemende mate met het vluchtelingenwerk bemoeien. Een betrekkelijk beperkt aantal vluchtelingen wijkt uit naar Nederland. Daaronder onder meer de Hongaarse vluchtelingen, die na de opstand van '56 hun
vu-Magazine 11 (1982) 10 oktobe-
land verlaten, en Tsjechoslowaken die in'68 hetzelfde doen. Voor ons land staat hun getal echter in de schaduw van andere groepen ,,nieuwkomers", naar hier gebracht als gevolg van de afwikkeling van het koloniale tijdperk. Drie golven repatrianten, grote groepen Molukkers en spijtoptanten dienen geherbergd en vragen alle middelen en aandacht. Eind zestiger jaren verandert het beeld wederom. Op eigen gelegenheid vinden asielzoekenden hun weg naar ons land, die Hoeksma indeelt bij een categorie ,,nieuwe vluchtelingen". De mening van autoriteiten en het relatief jongere deel van de bevolking loopt sterk uiteen waar het gaat om de status van vluchteling van de Portugese, Griekse, Spaanse en Amerikaanse jongeren, op de vlucht voor de kolonialistische, militaristische of dictatoriale politiek van hun geboortestaten. Niettemin kwalificeert Hoeksma de periode tot '72 als rustig. Daarna echter nemen de vluchtelingenproblemen andermaal toe: Aziaten uit Oeganda, Chilenen, Argentijnen, Koerden, Vietnamezen, Ethiopiërs; uit verschillende werelddelen zoeken vluchtelingen een goed heenkomen. Een klein deel daarvan vindt dat in ons land. Een groep apart vormen de Turkse christenen. Zij zien de Nederlandse grens voor zich gesloten, omdat de regering meent van doen te hebben rriet buitenlandse werkwilligen, die het asielrecht misbruiken voor hun economische doeleinden. Deze maatregel brengt emotie en onbegrip teweeg, omdat hun lotgenoten die al in het land verblijven wél als asielgerechtigden een verblijfsvergunning krijgen. De hartverscheurende taferelen die daar-
mee gepaard gaan liggen de meesten nog vers in het geheugen. Het saldo van de in- en uitstroom (want veel vluchtelingen verlaten ons land na verloop van tijd ook weer) bedraagt op dit moment één vluchteling op duizend autochtonen. Nederland is dus nog lang geen vluchtelingenkamp. En er zijn ongeveer tien miljoen vluchtelingen op de wereld. De vraag luidt daarom in hoeverre Nederland een gepaste bijdrage levert aan het internationale vluchtelingenvraagstuk en recht doet aan de eigen vreemdelingenwetdie in 1967 van kracht werd. ,,Onvoldoende" vindt Hoeksma. En dat ligt naar zijn mening niet aan de bewuste wet. Want welbewust heeft men daarmee de goede naam op het gebied van gastvrijheid jegens vluchtelingen willen herstellen: het principe van niet-uitwijzing en zelfs een individueel afdwingbaar recht op asiel liggen erin verankerd voor vluchtelingen voor wie Nederland verantwoordelijk is. Maar de praktijk, in de zin van het loyaal uitvoeren van de wet, laat zeer te wensen over. Sterker nog: in beleidsvoornemens ten aanzien van vluchtelingen, zoals die opborrelen uit regeringsnota's {,,Notitie inzake het Nederlandse vreemdelingenbeleid'' en „ontwerpnota Minderhedenbeleid"), wordt niet alleen voor vreemdelingen, maar ook voor vluchtelingen weer een ,,restriktief" (terughoudend) toelatingsbeleid voorgesteld. Het is een beleid dat de asielzoekende niet of nauwelijks houvast biedt omtrent de criteria voor toelating en het verkrijgen van de status van vluchteling. Met andere woorden: de overheid spreekt slechts over het voldoen aan de verplichtingen die voortkomen uit het internationale verdrag en rept met geen woord over de afdwingbare rechten die vluchtelingen krachtens de Vreemdelingenwet hebben. Hoeksma is min of meer verontwaardigd over de misinterpretaties van deze wet en onthutst over de indirecte steun die de particuliere hulporganisaties gaven aan het huidige beleid toen deze in mei van het vorige jaar melden de opvang van naar Nederland overgebrachte vluchtelingen verder te beschouwen als taak van de overheid. ,,Een historische fout", volgens Hoeksma. In het kantoor van de Nederlandse vertegenwoordiger van het Hoge Commissariaat van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen aan de statige Stadhouderslaan in Den Haag vroeg VU-magazine hem onder meer zijn dubbele boosheid toe te lichten.
325
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982
VU-Magazine | 484 Pagina's