VU Magazine 1982 - pagina 358
ning om onderdak te verlenen aan .gelijkgestemden": vervolgde geloofsgenoten of buitenlanders op de vlucht voor een gemeenschappelijke vijand. In dat lictit is de asielverlening aan bij voorbeeld Hugenoten weinig spectaculair. Wel bijzonder was de welhaast grenzeloze gastvrijheid ten aanzien van vluchtelingen die in één of ander opzicht „anders" waren: Joodse vluchtelingen en omstreden filosofen (Descartes, Spinoza). De laatste categorie werd vooral ook beschermd door de vrijheid van drukpers die — anders dan elders — hier te lande al vroeg, ook voor mensen met minder gangbare opvattingen gold. Overigens was de Nederlandse ruimhartigheid niet geheel belangenloos. De voorvaderen gaven wat dat betreft blijk van een profetische blik en een scherpe visie op wat bevorderlijk bleek voor de geldbuidel en voor het geestelijke en culturele leven. Het is
Amsterdam, Stad dervrijheid een feit, dat door de nieuwe impulsen die vluchtelingen aan de samenleving gaven, de betoonde gastvrijheid het land geen windeieren heeft gelegd. Het blijkt uit de constatering dat er, eind zeventiende eeuw, bijna slag werd geleverd om zoveel mogelijk Hugenoten binnen de stadswallen te huisvesten. Maar het is niet mooi de Nederlandse gastvrijheid alleen te willen duiden als uiting van baatzucht. Want, aldus Hoeksma, ze stoelde primair op heel reële verdraagzaamheid. Deze wordt vooral benadrukt door de gulheid waarmee aan — om wat groepen te noemen — Duitse en Portugese Joden, Engelse puriteinen (de latere Pilgrim Fathers) en Boheems-Moravische om het geloof vervolgden onderdak werd geboden. Oogluikend gaan we dan voorbij aan de uitsluiting van de katholieken tot dit recht en zien voor het gemak over het hoofd hoe de godsdienstvrijheid in ons land beperkt werd tijdens het Twaalfjarig Bestand; een periode waarin de Republiek een deel van de eigen bevolking om het geloof vervolgde en sommigen (Remonstrantse predikanten) naar Frankrijk deed vluchten om met harde hand strafte. Deze beknotting van de godsdienstvrijheid gold ook de Joodse vluchtelingen; men kan vreemdelingen bezwaarlijk toestaan wat de eigen onderdanen verboden is...
324
In de herinnering echter blijft toch vooral de toestroom die Pierre Bayle aanleiding gaf de Republiek te schetsen als een ,,ark van behoud" en die de beroemde pedagoog en vluchteling Comenius Amsterdam deed uitroepen tot ,,stad der vrijheid". Niet ten onrechte: het geestelijk klimaat in Amsterdam lokte de vluchtelingen vooral daarheen. Hoeveel het er geweest zijn illustreert de groei van het aantal inwoners tussen 1578 (30.000) en 1700 (200.000), die niet alleen uit de eigen aanwas kan worden verklaard. Na 1715 komt die groei tot staan, deels als gevolg van de toegenomen godsdienstvrijheid elders, deel door de afnemende spontaniteit in de bereidheid gelovigen van buiten op te nemen, die daarvan het resultaat is. Het duurt tot 1914 vóór Nederland een vergelijkbare toevloed beleeft. Dan zijn het Belgische vluchtelingen die, na de Duitse inval, naar het neutrale Nederland de wijk nemen. Een niet te stuiten stoet zuiderburen ontregelt de gang van zaken in de drie zuidelijke provincies; 700.000 zijn het er in oktober 1914 en desondanks zijn de problemen slechts praktisch van aard. De geprezen tolerantie van de Nederlander uit zich in het feit, dat van incidenten tussen vluchtelingen en autochtonen nagenoeg geen sprake is. Men moet daar niet lichtvaardig over denken. Zo ziet bij voorbeeld de plaats Hansweert blijkens een noodkreet van
Kentering onder drukder omstandigheden de burgemeester, de bevolking in luttele dagen vervijfvoudigd. Naar schatting vindt ruim een miljoen Belgische oorlogsvluchtelingen voor een korte of langere periode een toevlucht in ons land, dat doet waartoe Potgieter een eeuw eerder opriep toen hij dichtte: ,,Blijft wat ge waart, toen ge blonkt als een bloem: Zorg dat Europa den zetel der orde, dat de verdrukte zijn wijkplaats u noem." Tot zover voldoet de overheid aan de geest die de Vreemdelingenwet van 1849 ademt: vreemdelingen (en dus ook vluchtelingen) zijn welkom voor zover ze anderen geen overlast bezorgen. Het Vreemdelingenreglement van 1918 vormt een kentering in die liberale houding. „Druk der buitengewone
omstandigheden", zo heet het excuus om een strakke registratie van, en tal van verplichtingen voor vreemdelingen in te voeren, daarbij geen rekening houdend met de aparte status van vluchtelingen. Het zwaard van Damocles, dat hun daarmee boven het hoofd is gehangen, is uitwijzing. In zijn boek oordeelt Hoeksma deze regelingen in strijd met de Vreemdelingenwet en bovendien oneigenlijk, voor zover toegepast nadat de buitengewone omstandigheden waren genormaliseerd. Het is echter nog maar een begin... Nog zwarter wordt de bladzijde die na 1933 wordt opgeslagen. Een stroom Duitse vluchtelingen komt op gang, waaronder velen, die sociaal-democratische, socialistische, communistische of anarchistische opvattingen zijn toegedaan. Gemeenschappelijk element van deze politieke vluchtelingen is echter in de eerste plaats hun angst voor de groeiende macht van Adolf Hitler. Met het „Verbod op politieke aktie voor vreemdelingen" — nota bene ingesteld met het oog op de nationaalsocialisten — in de hand en blind voor het onderscheid tussen vreemdeling en vluchteling, treedt de Nederlandse overheid op tegen deze asielzoekers. Eén van de door Nederland aldus uitgewezenen heeft-dit beleid later gekwalificeerd als eigenmachtig handelen tegenover machteloze vluchtelingen in een openlijke poging tot,,kwalijke pluimstrijkerij tegenover het machtige Derde Rijk". De naam van dit, in justitiële ogen, revolutionaire element is Willy Brandt; hij is de latere kanselier van de Bondsrepubliek. Henriëtte Roland Holst constateert: ,,Het is nu zoo ver gekomen dat van het asylrecht voor politieke vluchtelingen heden in ons land geen spoor meer bestaat." Dat het hier niet om incidentele gevallen gaat is zeker. Maar hoeveel politieke vluchtelingen uit Duitsland dit lot hebben ondergaan is niet bekend en hun geschiedenis is nog niet geschreven. De tijd daartoe dringt meer dan ooit, schrijft Hoeksma: ,,0e schroom om eigen feilen te onderkennen behoort geen beletsel te vormen om te onderzoeken hoe deze bladzijde in de geschiedenis van het traditioneel gastvrije Nederland zo zwart heeft kunnen worden." De Joodse vluchtelingen uit Duitsland vergaat het niet veel anders. Aan de grens moet,,onmiddellijk lijfsgevaar" worden aangetoond, anders is een gedwongen terugkeer naar Duitsland het onvermijdelijke gevolg. Maar ook degenen die deze barrière
vu-Magazine 11 (1982) 1 o oktober
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982
VU-Magazine | 484 Pagina's