VU Magazine 1982 - pagina 100
het pakket toch uiteindelijk in Straatsburg. Het Nederlandse aandeel aan het nu verschenen boekwerk is al met al behoorlijk groot. Ik denk dan aan mijn eigen bijdrage, ongeveer tweederde van het geheel (voor de liefhebbers: zie Spreuken 27 vers 2). Maar hier moet zeker ook ZWO genoemd worden dat, toen men in Parijs mededeelde geen fondsen te hebben, een aanmerkelijke bijdrage in de drukkosten heeft verstrekt. Welke betekenis heeft een dergelijke tekstuitgave nu? Ik heb me de afgelopen jaren die vraag nog al eens gesteld, want er gaat ontstellend veel tijd in een dergelijke editie zitten. Dat wordt nog het tjest duidelijk door een vergelijking van een bladzijde uit het oorspronkelijke werk uit 1530 en de ongeveer daarop corresponderende bladzijde van de nieuwe uitgave. Allereerst moet de Latijnse tekst uitgetypt worden. Dat lijkt niet zo iets geweldigs, maar het is zeker bij een schrijver als Bucer een dievenwerk. Hij schreef namelijk even vlug als hij dacht. Het gevolg is: lange en vaak verwarde zinnen (de langste in de Epistola apoiogetica telt in de nieuwe editie 32 regels!), bovendien met een interpunctie die naar huidige maatstaven onmogelijk is. De bewerker moet dus naar beste vermogen de lezer van nu te hulp komen, door via een nieuwe interpunctie een leesbare tekst te geven. Dan moeten er verklarende aantekeningen bij de tekst komen. Het leeuwe-aandeel leverden de bijbel en Erasmus, die Bucer beide even vaak citeert. Maar verder zijn er citaten van klassieke en oudkerkelijke auteurs, verwijzingen naar eigentijdse gebeurtenissen en nog veel meer. Tenslotte moet er een inleiding komen, waarin iets over de historische setting en over de technische gegevens van het geschrift wordt verteld. Dit alles is snel opgesomd, maar de uitvoering kost iets meer tijd. Ik heb het ook niet alleen gedaan. Een student klassieke talen heeft de tekst uitgetypt, maar had daarbij natuurlijk weer voortdurend hulp nodig, omdat deze tekst wel iets anders is dan een tekst uit de klassieke oudheid! Leden van de vakgroep hebben op bepaalde punten geholpen, een assistent heeft een fors aandeel gehad in de samenstelling van de registers. Ik ben ook nog een keer naar Straatsburg gegaan, omdat daar allerlei literatuur is, die ik nodig had maar die in Nederland niet te vinden is. Bij die gelegenheid hebben trouwens Lienhard en Rott mij laten zien, hoe goed zij hun
90
ik geef één voorbeeld. Overal in ZuidDuitsland en Zwitserland was het de overheid, meestal een stedelijke overheid, die op aandrang van de burgerij en speciaal van de predikers, de reformatie doorvoerde: er komt een nieuwe liturgie, de kloosters worden gesloten, de gehoorzaamheid aan de bisschop wordt opgezegd, de beelden worden weggeruimd en tenslotte wordt de mis afgeschaft. Dat laatste is de beslissende stap: dan is geen terug meer mogelijk. Welk recht had die overheid daartoe? De tegenstanders zeiden, en terecht, dat het pure revolutie was: tegen de bisschoppen, die de zeggenschap hadden in kerkelijke zaken én tegen de keizer, die getoond had dat hij geen ingrijpende veranderingen goedkeurde. Voorzover mij bekend, is Bucer in dit boek de eerste, die serieus op dit verwijt ingaat, en die tracht te bewijzaken kennen! De meeste hulp heb ik zen, dat een stadsraad, die tegen alle gehad van Carel van der Mey, in die tijd bevelen van de keizer ingaat, eigenlijk studentassistent bij de vakgroep-kerk- de hoogste gehoorzaamheid aan de geschiedenis. De samenwerking tus- keizer toont! De argumentatie, die Busen ons beiden in de dagen tussen cer geeft om deze stelling te bewijzen, kerstfeest en jaarwisseling 1979-'80, verdient zeker nadere bestudering. Zo toen alles definitief en snel in het vat is er veel meer te noemen, maar er moest worden gegoten, zal ik niet moet ook weer eens een eind aan dit artikel komen. gauw vergeten. Maar terug naar de vraag: wat is de zin Tenslotte: zullen de Nederianders hun van zo'n stuk werk? En voor hoeveel mensen doe je het eigenlijk? Voor mijzelf beantwoord ik die vraag met: het is een geduldwerk, dat een sterk dienend karakter heeft, het is werk op lange termijn, waarin nieuwe bronnen voor de kennis van de reformatietijd ontsloten worden. Dat geldt bij de Epistola apoiogetica in sterke mate. Ik neem aan, dat niet meer dan vijf mensen het werk enigszins kennen. Geen wonder, want vee! exemplaren zijn er ook niet. Overigens: juist de bibliotheek van de VU heeft er één! Ik ver- aandeel blijven leveren? Ik hoop het. wacht niet, dat er nu drommen lezers Dat hangt o.a. af van de vraag, welke zullen komen. De echte kenners van mogelijkheden Van 't Spijker zal krijde reformatietijd kunnen er in de toe- gen om hiervoor tijd uit te trekken. komst echter niet omheen. Het onder- Hetzelfde geldt voor De Kroon, die al zoek laat altijd zien, dat de ontsluiting verschillende bijdragen geleverd van nieuwe bronnen pas op lange ter- heeft. Om wat dichter bij huis te blijmijn doorwerkt, maar op de duur haar ven: ik heb het verzoek gekregen, Buuitwerking niet mist. cers geschriften uit te geven, die beDit geschrift is interessant en belang- trekking hebben op de gebeurtenisrijk genoeg, om opgemerkt te worden. sen van 1540 en 1541. Ik heb dit in principe ook toegezegd. Het gaat hier om een uitermate belangrijke materie, de laatste serieuze poging om de eenheid van de kerk te redden door godsdienstgesprekken tussen katholieken en protestanten. Van protestantse zijde is Bucer het hart van de onderneming geweest. Gezien de omvang van de geschriften wordt het een geweldig karwei. Maar dat is van later orde.
Welk recht hadden de stadsraden tegen de keizer in te gaan?
Bucerpoogde nog protestanten en katholieken te verzoenen
VtJ-Magazine11 (1982)3(maart)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982
VU-Magazine | 484 Pagina's