VU Magazine 1982 - pagina 138
Barths toespraak over Jezus Christus en de sociale iieweging Voor de analyse van Barths houding ten opzichte van het socialisme In de tijd dat hij In Zwitserland (Safenwil) predikant was (1911 -1921) is zijn toespraak over „Jezus Christus und die sozlale Bewegung" van groot belang. In deze toespraak uit 1911 tracht Barth de „innere Verbindung" tussen Jezus en het socialisme te laten zien. Het socialisme omschrijft hij als volgt: het is de beweging van de ekonomisch onzelfstandigen, van hen, die tegen betaling van loon vooreen ander werken. Het Is de beweging van het proletariaat. door MaiHen E. Brinkman Het is het doel van het socialisme deze afhankelijken onafhankelijker te maken. Daartoe stelt het zich tot taak tot afschaffing van de privé-eigendom van de produktiemiddelen te komen om zo de onrechtvaardigheid te bestrijden, dat alleen diegene, die het beginkapitaal en de middelen verschaft met de winst van de arbeid van velen gaat strijken. Dit streven, dat er op gericht is te voorkomen, dat de één kapitaal op kapitaal stapelt en vele anderen slechts met een schamel loon beloond worden en verder geheel afhankelijk zijn van de luimen van de geld- en materiaalverschaffer, brengt Barth in dit referaat rechtstreeks in verband met de boodschap van Jezus. Daarbij maakt hij echter wel zeer nadrukkelijk onderscheid tussen wat de socialisten feitelijk in hun partij doen en wat zij willen. Als de socialisten doen, wat ze in hun partijprogramma willen, dan „seid ihr Christen und rechte Menschen" en dan kan Barth ook zeggen: „Der rechte Sozialismus is das rechte Christentum in unserer Zeit". Barths socialismebegrip wordt gekenmerkt door de woorden gerechtigheid, solidariteit en vrede. Hij voelde zich solidair met zijn gemeenteleden, die van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat voor een gering loon in de fabrieken werkten en speelde een aktieve rol in de poging hun positie te verbeteren door het oprichten van vakverenigingen en het ondersteunen van stakingen. Zo zette Barth zich in voor de zaak van de sociale gerechtigheid, waarmee tevens ook de zaak van de vrede gediend is. Goed socialistisch was Barth de mening toegedaan, dat als de produktiemiddelen maar een124
hebben laten prevaleren boven de onderlinge internationale solidariteit van de arbeiders. Niet alleen ten aanzien van zijn Duitse theologische leermeesters, maar ook ten aanzien van het socialisme, spreekt hij van een „ Versagen gegenüber der Kriegsideologie". Evenals Barths rechtsopvatting kritisch bleek te kunnen funktioneren tegenover dat wat officieel voor recht doorgaat in de rechtsstaat, impliceert ook zijn vredesbegrip een kritische houding ten opzichte van de bemaal aan de gemeenschap waren ge- staande orde in ,,vredes"-tijd. In reakkomen, het met de oorlogsindustrie tie op de beschuldiging, dat de sociawel gedaan zou zijn en zo ook de vrede listen de vrede verstoren, stelt Barth tussen de volkeren bevorderd zou zijn. bij voorbeeld in een preek in 1913 de Wanneer de Eerste Wereldoorlog vraag welke vrede zij dan verstoren. daadwerkelijk uitbreekt, ziet hij ten- De huidige vrede noemt hij een „ fauler minste in de eerste oorlogsmaanden Friede", waarin miljoenen, vrouwen daarin dan ook niet zozeer een bewijs en kinderen inkluis, genoodzaakt worvan een weinig vredesgezinde hou- den uitsluitend knecht van het geld te ding van de diverse nationaJe sociaal- zijn. Deze vrede noemt hij een „Deckdemokratische partijen, maar in de mantel für ein Meer von Ungerechtigeerste plaats een manifestatie van on- keit". Het handhaven van een dergelijmacht van de sociaatdemokratie ke schijnvrede acht Barth een kenmertegenover het grootkapitaal: „die Ban- kende eigenschap van het „Bürgerkiers und grossen Geldmenschen (...) tum". Hoewel hij openlijk erkent zelf urn deren Dividenden sichjetz die Völ- ook uit „das Bürgertum" afkomstig te ker schlagen mussen". Later zou zijn en daarom ook geen haat tegen Barth het ook de sociaaldemokraten een bepaalde groep mensen wil aanzelf verwijten zich niet voldoende te- kweken, maar zelfs erop wijst, dat er gen de oorlogsideologie verzette heb- onder de ,,burgerlijke" mensen soms ben en uiteindelijk de nationale zaak te betere mensen zijn dan onder de socialisten, stelt hij toch haarscherp het wezen van het burgermansbestaan aan de kaak: „Bürgertum ist Schweigen um des Friedens willen. Bürgertum is Gleichgewicht um jeden Preis (...). Ruhe ist die erste Bürgerpflicht". Zoals al eerder bleek, zien we ook hier, dat hij elke sanktionering van Godswege van de bestaande (wan)orde
Gerechtigheid, solidariteit en vrede
VU-Magazine11 (1982) 4 (april)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982
VU-Magazine | 484 Pagina's