Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1982 - pagina 347

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1982 - pagina 347

5 minuten leestijd

peace, taking into account the requirements of the New International Economic Order and the fundamental human needs" (ECODOS resolution 229 (LXII)van13 mei 1977. 6. De AVVN stelde in een resolutie van 23 november 1979 (nr. 34/46) „that the right to development is a human right and that equality of opportunity is as much a prerogative of nations as of individuals within nations". In 1981 voegde de AVVN er aan toe dat het een onvervreembaar recht van de mens is (Res. 36/133 van 14 december 1981). Eerder dat jaar had de Commissie voor de Rechten van de Mens een ad hoc werkgroep van regeringsdeskundigen opgedragen om de reikwijdte en inhoud van het recht op ontwikkeling te bestuderen (Res. 36 (XXXVII) van 11 maart 1981). 7. Achter deze betrekkelijke eensgezindheid over het bestaan van een recht op ontwikkeling gaan, naar de werkzaamheden van deze werkgroep uitwijzen, nogal uiteenlopende visies schuil op de dragers, de inhoud en de juridische betekenis van dat recht. Deze visies variëren van een uitsluitend individueel recht tot een uitsluitend collectief recht op ontwikkeling; van een recht op ontwikkeling als een louter politieke of morele aanspraak tot een recht op ontwikkeling als beginsel

Achterblijven geen excuus van internationaal recht en van een ,,synthetisch" recht tot een zelfstandig recht (zie sub 3.). 8. In de zin van ,,synthetisch" recht beoogt het recht op ontwikkeling vooral kracht bij te zetten aan de noodzaak tot realisering van bestaande en zich ontwikkelende rechten van de mens in hun individuele en collectieve dimensie. Er is een opmerkelijke eensgezindheid dat het achterblijven van de realisering van economische, sociale en culturele rechten geen excuus vormt voor een staat het minder nauw te nemen met de toepassing van burgerlijke en politieke rechten. Economische achterstandssituaties van een een staat worden met andere woorden niet erkend als een noodtoestand in de zin van artikel 4 van het Internationale Verdrag van Burgerlijke en Politieke Rechten van 1966, welke onder bepaalde stringente voorwaarden een

vu-Magazine 11(1982) 9 september

afwijking mogelijk maakt van een aantal verdragsverplichtingen. 9. Vanuit rechtswetenschappelijk oogpunt bezien heeft een recht op ontwikkeling als een „synthetisch" recht van bestaande en komende rechten van de mens meer een politiek en eventueel moreel effect dan een juridsch effect. 10. De rol van de staat bij de realisering van economische, sociale en culturele rechten van de mens veronderstelt, anders dan die bij de toepassing van burgerlijke en politieke rechten, eerder een doen dan een nalaten (vgl. artikel 2 van beide internationale verdragen van 1966). Tot dat doen dient een staat ook in staat te zijn. Het Internationale Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten beschermt het individu tegen een actieve willekeurige aantasting door de staat van zijn leven en persoon, ook en juist in geval van noodtoestand (artikel 6). Het bestrijkt echter geen situaties, ontstaan door toedoen van de natuur en/of (mede) door staten, waarin een mens gevaar loopt het slachtoffer van zijn leven en persoon. 11. Wanneer een staat niet bij machte is het nodige te doen voor de realisering van economische, sociale en culturele rechten van de mens, zodanig dat ieder individu zich metterdaad naar eigen keuze en conform zijn mogelijkheden kan ontplooien en/of wanneer een individu het slachtoffer dreigt te worden van een passieve niet-willekeurige aantasting van zijn leven of persoon door de natuur (bij voorbeeld droogte of wateroverlast) of (mede) door staten (bij voorbeeld oorlog, het verdelen van grondgebieden) dan toont het huidige internationale bestel van de rechten van de mens een leemte. 12. Voor de opvulling van deze leemte kan een zelfstandig internationaal recht op ontwikkeling zinvol zijn. Zo'n recht zou als volgt kunnen worden omschreven: Het internationale recht op ontwikkeling houdt in de aanspraak van individuen en naties op het kunnen beschikken over de middelen en bronnen, welke overeenkomstig algemeen aanvaarde internationale maatstaven.

Leemte in bestel rechten van de mens

wezenlijk zijn voor het scheppen en in stand houden van een situatie, waarin iedere mens zich kan ontwikkeien naar zijn keuze en mogelijkheden. Dit teneinde de menselijke waardigheid te beschermen, waarvoor de normen zijn vastgelegd in de Internationale Verdragen inzake de rechten van de mens van 1966 en verwante verdragen en verklaringen. x 13. Een dergelijk internationaal recht op ontwikkeling impliceert een plicht van naties om de middelen en bronnen zo te gebruiken dat zij de beoogde situaties kunnen scheppen en in stand houden ten aanzien van hun onderdanen en om de internationale gemeen-

Verplichtingen voor staten en individuen schap in staat te stellen alle naties aldus toe te rusten. Het verplicht individuen om hun staat in staat te stellen alle onderdanen in die situatie te brengen en te houden en de plicht jegens de internationale gemeenschap te vervullen. 14. Een dergelijk internationaal recht op ontwikkeling heeft gevolgen voor het internationaal recht als geheel, met name voor het recht van volken op zelfbeschikking en het verbod tot nietinmenging. Het past als het ware in elkaar het recht van volken op zelfbeschikking en het recht van het individu op een maatschappelijke en internationale orde, waarin de rechten van de mens kunnen worden verwezenlijkt. 15. Zo'nrechtgeeftook inhoud aan de plichten van een ieder jegens de gemeenschap, zonder welke de vrije en volledige ontplooiing van zijn persoonlijkheid niet mogelijk is (artikel 29 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens). Het trekt in vredestijd de lijn door, die ten aanzien van oorlogstijd in 1907 is uitgestippeld in de beroemde Martensclausule in de Conventie nopens de wetten en gebruiken van de oorlog. Het recht op ontwikkeling, zoals boven omschreven plaatst namelijk de mens onder de bescherming van de beginselen van internationaal recht, zoals deze voortkomen uit gewoonte, uit beginselen van menselijkheid en het publieke geweten.

317

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982

VU-Magazine | 484 Pagina's

VU Magazine 1982 - pagina 347

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982

VU-Magazine | 484 Pagina's