Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1982 - pagina 153

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1982 - pagina 153

8 minuten leestijd

SE

vrouwen) asfalteerden de weg voor een meeromvattende wet, de Wet-Gelijke Behandeling. De kritiek die losbarstte kan als volgt worden samengevat: de wet gaat niet ver genoeg (COC en feministische groepen, „Nu kunnen wij de macht niet meer overnemen" sprak een vrouw in de IKON-uitzending over dit onderwerp), er staan te veel uitzonderingen in waardoor de wet krachteloos wordt en rechtse protestanten zien er een aanslag in op de onderwijsvrijheid als uitvloeisel van de godsdienstvrijheid („Ik ben volledig bereid om als christen vervolgd te worden " zei een jongeman in dezelfde IKON-uitzending). Veel verbeeldingskracht spreidde het maandblad van de Internationale Raad van Christelijke Kerken (de orthodoxe tegenhanger van de Wereldraad van Kerken) ten toon.,,Getrouw", in een artikel van de heer Klever, voorzag onheilspellende gevolgen van de Wet-Gelijke Behandeling: „Een lid van de CPN, die regelmatig tracht stallingen te breken. Lidmaten van een stichting op Bijl>else grondslag, die continue verltondigen dat hetgeen in de Bijtiel staat onjuist is. Een geheelonthoudersvereniging met een voorzitter, die voortdurend in de „olie" is. Een als ketter vloekende penningmeester van de „Bond tegen het vloeken". Beroepsmilitairen, waarvan t}ekend is dat ze voortdurend dienst weigeren. Een erkend „versierder" ais leraar op een meisjeskostschool. Een uit zijn mond stinkende, ongeschoren, luid vloekende en smoezelig geklede vertegenwoordiger van fijne herenkleding." De wet kent zijn martelaren reeds in het stadium van voorontwerp. Maar een geruisloze aftocht naar een burola lijkt ook niet meer mogelijk, want dan zou de indruk worden gevestigd dat diskrimineren „dus" niet laakbaar is bij gebrek aan eenstemmigheid over de vraag hoe deze zonde moet worden bestreden. Het scheppen van meer uitzonderingsbepalingen heeft ook z'n bezwaren.

Prof. dr. H.R. Wijngaarden: „Toon mij eerst eens aan dat een homo voor de idas meer of andere selcsuele gevoelens oproept dan een hetero"

Hoe de verdere geschiedenis van dit voorontwerp ook zal verlopen, één effekt lijkt nu al op te treden: de meningsvorming gaat terug naar af, wordt jaren teruggedraaid, of beter gezegd: afgebroken en afgegrendeld. Als de maatschappelijke diskussie over gelijke behandeling van minderheidsgroepen nog enige jaren zonder overheidsingrijpen had kunnen doorgaan, waren maatschappelijke veranderingen wellicht op natuurlijkerwijze tot stand gekomen, door aktiviteit van „onderop". Nu dreigt het gevaar dat de overheid vooreen aantal nog „onwillige" groepen en organisaties formeel het recht gaat vastleggen om onderscheid te mogen maken indien ze géén homoseksuelen of samenwonenden voorde klas wensen. En dan wordt de maatschappelijke diskussie naar een geheel andere vraagstelling verlegd. Niet langer staat dan in het middelpunt de vraag hoe diskriminatie vaiï minderheidsgroepen moet worden uitgebannen in de gehele maatschappij, maar de vraag om welke delen van de maatschappij een hek moet worden gezet, waarbinnen een recht zou bestaan tot diskriminatie. Bij fundamentalistische groepen en organisaties dreigt het gevaar van verstarring van meningsvorming: hun standpunt wordt als het ware „ingevroren". En wie geeft een verworven recht weer uit handen?

„Een flopredenering die mij versciirilciceiijlc ergert" Vooral in deze rechtzinnig-christelijke kringen voelt men zich bedreigd door het voorontwerp. Bedreigd in de vrijheid van godsdienst en onderwijs. Dezelfde kringen die jarenlang (linkse) aktiegroepen gestrengelijk wezen op Romeinen 13, laten de Bijbel nu openvallen bij Handelingen 5: „Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen". Bedreigd voelt men zich ook in het praktizeren van opvattingen over homoseksualiteit. In 't kort gezegd luidt die opvatting: je mag wel homofiel zijn, maar je mag het niet praktizeren. „Een volstrekt verwerpelijke onderscheiding" knort prof. dr. H. R. Wijngaarden, vóór zijn emeritaat VUhoogleraar persoonlijkheidsleer en konfliktuologie, thans gevestigd als psychotherapeut, „men zegt toch ook niet: je mag geen zonde doen maar je mag wel zondaar zijn. Als je homofilie als zodanig beschouwt, als 'n kwaaie neiging, is het onzin om te zeggen: je mag het wel z//n". Prof. Wijngaarden pleit voor meer eerlijkheid van de kant van orthodoxen: „Als men in deze kringen eerlijk was, zei men ronduit dat je inderdaad geen homofiel mag zijn omdat men het een kwaad vindt. Maar laten ze niet aankomen met deze flopredenering, die mij verschrikkelijk ergert. Het is schijnverdraagzaamheid, een valse en onwaarachtige stelling. Dat behoor ik als christen te bestrijden." God houdt van de homofiele medemens, zegt Meindert Leerling en houdt aldus vol dat hij homo's niet diskrimineert. „Volmaakt onbegrijpelijk", zegt prof. Wijngaarden daarvan. „Wie hortioseksualiteit slecht vindt, diskrimineert in mijn ogen." Overigens vindt prof. Wijngaarden het onderscheid tussen „zijn" en „praktizeren" terecht, als homofilie inderdaad slecht zou zijn. „Als dat waar is, heeft men in EO-kringen gelijk. Ik moet ook mijn neiging tot stelen, tot hoogmoed, tot onverschilligheid tegengaan. Maar ik ben ervan overtuigd dat homoseksualiteit niet slecht is."

^x'

VU-studenten onthulden op 3 februari een „Antl-homomonument"

„Hallo, hallo, met Abraham Kuyper? Ja, het gaat over wat u in 1902 gezegd hebt in de Tweede Kamer. Verleden tijd zegt u. U denkt er nu heet anders over. 1902 is 1982 niet Maar meneer Kuyper. Hallo... hallo... de lijn is vreseiijic gestoord... ilc hoor slechts ijl gezang"

Homofilie is een gegevenheid, vindt prof. Wijngaarden. „Het enige gebod waarmee je te maken hebt is dat van de liefde, van de menselijkheid, en dan maakt het niet uit vanuit welke gegevenheid je dat gebod uitwerkt." Prof. Wijngaarden kent in zijn vakkring enkele psychotherapeuten die proberen homo's te genezen, al zijn het er niet veel meer. Zelf heeft hij ai tien jaar geen mensen op zijn spreekuur meer gekregen die vroegen om van hun homofilie verlost te worden. Als homo's op zijn spreekuur komen, worstelen die veeleer met problemen rond hun maatschappelijke aanvaarding. Is homofilie besmettelijk? En rechtvaardigt dat de opvatting dat je maar beter geen homofiele onderwijzers voor de klas kunt laten staan? „Bij mensen die meer biseksueel zijn, zijn dat levensmogelijkheden die inderdaad misschien daardoor binnen het gezichtsveld komen. Dat is op zich geen onzinnige gedachte. Maar de vraag die daarop meteen volgt is: is dat slecht? Moet je daarvan schrikken of het onder ogen zien? En wat de homofielen betreft: toon me eerst eens aan dat een homo voor de klas meer of andere seksuele gevoelens bij de kinderen oproept dan een hetero. En toon mij ook eens aan-dat een heterofiel anders omgaat met kinderen dan een homofiel. Dat moet ik nog zien. Wat voor invloed gaat er trouwens uit van een heterofiele onderwijzer die met z'n handen niet van de meisjes kan afblijven? De gedachte daarachter is nog steeds het beeld in de maatschappij dat een homo herkenbaar is aan z'n uiterlijk gedrag en voor negen van de tien homo's gaat dat n iet op, ze onderscheiden zich in niets.''

Staat als zedenmeester? Dezelfde Kuyper die aan de VU de scepter zwaaide, hield in 1902 in de Kamer een betoog waarin zijn politieke nazaat, mevrouw Kraaijeveld-Wouters zich tachtig jaar later, als eerste ondertekenaar van de wet-gelijke t)ehandeling geheel zou moeten kunnen herkennen. Immers, betoogde Kuyper, ieder is onderworpen aan de „levenswet", het individu, het gezin, maar ook de

Staat: „Nu ontstaat de vraag: wie heeft die levenswet gegeven aan den Staat? Wordt die wet enkel in jure constitute, zooals men het tegenwoordig wil doen voorkomen, gegeven door den wetgever? Ofwel wordt zij aan den Staat gegeven van het uur der Schepping af, in de schepping van den mensch zelf? (...) Wanneer nu bij het uitwerken daarvan onder de burgers van eenzelfde land van lieverlede twee richtingen opkomen, heeft men dan geen oorzaak om te vragen, waarin toch eigenlijk wel die levenswet bestaat? Het ligt in den aard der zaak, dat de Staat niet iets is wat in de lucht hangt, maar een concrete verzameling van menschen. Bij het wezen van den Staat hebben wij te doen met verschillende relatiën waarin de menschen onderling tot elkander staan; de verhouding van man en vrouw, ouders en kinderen, patroons en werklieden, onderdanen en overheid en naar gelang men over die relatiën verschillende denkbeelden heeft, naar die mate wordt de levenswet van den Staat opgevat" Kuyper verdedigt het recht van de staat in te grijpen als onwenselijke denkbeelden in de maatschappij openlijke aanhang krijgen. Daarmee roert hij een principiële vraag aan die in de huidige diskussie over de anti-diskriminatiewet wat ondergesneeuwd raakt. Wie zich vóór het voorontwerp verklaart, doet dat meestal uit schrik voor wat de tegenstanders aan opvattingen te berde brengen. Maar hebben de voorstanders wel oog voor de staatkundige kanten van hun eigen standpunt? Mag een overheid de burgers verbieden te zondigen? Of verklaart men zich alleen voor het voorontwerp omdat men tegen diskriminatie is, of tegen fundamentalisme? Nog belangwekkender maar nog minder besproken is de vraag of het wel wérkt als een overheid van bovenaf een mentaliteit tracht te bevorderen. In hoeverre kan een overheid de burgers verbieden te zondigen? Gaat daarachter niet een wat al te formalistische denktrant schuil, alsof slechts datgene geldigheid bezit voor het mensdom wat in wetboeken valt aan te wijzen? Overigens wilde Kuyper met zijn redenering precies het tegengestelde bereiken van wat mevrouw Kraaijeveld voor ogen staat: terugdringen van voor139

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982

VU-Magazine | 484 Pagina's

VU Magazine 1982 - pagina 153

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982

VU-Magazine | 484 Pagina's