VU Magazine 1984 - pagina 54
Uit de Hortus
Netels, doornen en distels (Vi) door Daan Smit ,,... tussen de struiken balken zij, onderde netels hokken zij samen..." (Job 30:7) ,, Daarom, zo waar Ik leef, luidt het woord van den Here der heerscharen, den God van Israël, voorwaar, Moabzalaan Sodom gelijk worden, en de Ammonieten aan Gomorra, een veld van distelen en een zoutgroeve en een woestenij tot in eeuwigheid. Het overblijfsel van mijn volk zal hen plunderen en de rest van mijn natie hen erfelijk bezitten." (Zefanja 2:9) De geslachtsnaam /\canthus is een Latijnse schrijfwijze van de oude Griekse plantennaam Akanthos (van akantha, doorn, stekel). De naam heeft hier betrekking op de doornachtig getande bladeren. De plant die in bovengenoemde bijbelteksten wordt bedoeld is de, in landen rond de Middellandse Zee, veel voorkomende/Acanf/? t/s syr/acus. In de kunst neemt het Acanthusblad in het algemeen, doch vermoedelijk Acanthus spinosus in het bijzonder, een belangrijke plaats in. Het bladmotief werd veel gebruikt als ornament in de bouw-en meubelkunst. Ontstaan in het Nabije Oosten en verder ontwikkeld bij de Grieken en Romeinen werd het vooral toegepast ter verfraaiing van de Korintische kapiteelzuil. In de Byzantische stijl wordt deze vrijwel niet meer toegepast, evenmin als in de Romaanse en Gothische, terwijl de Renaissance en de daarop volgende klassieke stijlen weer veelvuldig gebruik ma-
40
ken van het Acanthusbladmotief als ornament. Of het blad van Acanthus ook van het begin af aan daadwerkelijk als motief heeft gefungeerd is niet meer met zekerheid te zeggen. Veel planten met soortgelijke bladvormen komen namelijk in het Mediterrane gebied voor, zoals, onder meer, de verschillende soorten distels, die hiervoor ook gediend zouden kunnen hebben. Tot op de dag van vandaag zijn er een 50tal verschillende soorten Acanthus bekend, die niet alleen rond hetMiddellandse-Zeegebied te vinden zijn, maar ook in tropisch en subtropisch Azië en Afrika. Slechts een gering aantal kan in ons klimaat, buiten in de tuin worden gekweekt, vanwege het feit dat ze slechts matig of in het geheel niet winterhard zijn. Acanthus mollis iszo'n soort die het onder onze klimatologische omstandigheden heel goed doet. Wanneer de plant tijdens de koude wintermaanden goed met een dik pak blad of iets dergelijks wordt gedekt, zal hij jaarlijks tot steeds fraaiere exemplaren uitgroeien en ook rijker gaan bloeien. In bloei bereikt Acanthus mollis in onze tuinen een hoogte van ± 75-100 cm. In Zuid-Europa, zijn thuisland, is hij op vochtige plaatsen dan ook geen zeldzaamheid. Hij is daar onder meer een bekende verschijning langs beschaduwde, kalken vochthoudende spoordijken. De forse bloemstelen die tegen eind mei verschijnen, blijven tot omstreeks augustus hun sierwaarde behouden. Tussen de rondom de bloemsteel
geplaatste purpergekleurde stekelig getande schutbladen, verschijnen, de 3-5 cm lange lichtlila gekleurde op lipbloemen gelijkende bloemen. Nadat de laatste bloem, boven in het topje van de bloemsteel, uiteindelijk is uitgebloeid, worden de eerste grote vruchten, onderaan de bloemsteel al zichtbaar. Ze bevatten elk 2-4 cm grote zaden, die zoals bij vele Acanthaceae het geval is, zodra ze volledig zijn uitgerijpt, met kracht worden weggeslingerd. Cultuur De forse ± 8-10 mm lange en 3-5 mm brede zwarte zaden, kunnen het best omstreeks april-mei binnenshuis worden gezaaid. Om de kieming te bespoedigen verdient het aanbeveling de zaden eerst 24 uur voor het zaaien in lauw-warm water te laten voorweken. Daarna worden de gezwollen zaden
in een potje gevuld met gewone tuinaarde of turfmolm gelegd, aangedrukt en bedekt met een laagje aarde van ± y2 cm. Mits de zaden niette oud en alle even kiemkrachtig zijn, komen de eerste kiemplanten met hun dikke zaadlobben binnen een maand al boven de grond. Pas wanneer het eerste blaadje goed zichtbaar wordt kan de zaailing in een apart potje worden overgeplant. Daarin blijven ze totdat het gevaar van nachtvorst is geweken, zodat ze na half mei pas buiten ter plaatse mogen worden uitgeplant. Beter is het echter ze nog een jaar in pot doorte kweken. Verpotten in een grotere potmaat is dan uiteraard wel noodzakelijk. Jonge planten zijn gevoeliger voor vorst dan volwassen exemplaren. In pot gekweekte zaailingen zijn dan ook het eerste jaar na zaaiing, gemakkelijker vorstvrij over te houden dan direkt uitgeplante planten. Acanthus-planten ontwikkelen zich het best in voedzame, wat kalkhoudende vooral vochtige, niette natte gronden en dienen op een afstand van 50-75 cm van elkaar te worden uitgeplant, zodat ze in een later stadium, wanneer ze zijn uitgegroeid tot volwassen planten, elkaar niet hinderen.
VU-Magazine13(1984) 1 januari 1984
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1984
VU-Magazine | 536 Pagina's