VU Magazine 1984 - pagina 106
Willem Ruis Niet iedereen hecht evenveel waarde aan modern opinieonderzoek. Het wordt te pas en — helaas vaker — te onpas gebruikt. Niet alleen sociale wetenschappers bedienen zich gretig van deze methode; ook menig populair tv-programma is ermee doorspekt, van ,,De-alles-is-anders-show" tot en met„l^/7/emflu/s". Meest gehoord argument tégen — serieus bedoeld — opinieonderzoek is, dat de mening van de ondervraagden met een flinke korrel zout moet worden genomen. De ,,mens in de straat" beschikt immers over onvoldoende deskundigheid en informatie om een gefundeerd oordeel te vellen over gewichtige aangelegenheden. En de vraag hoe we in de toekomst in onze elektriciteitsbehoefte willen voorzien is zonder twijfel zo'n gewichtige aangelegenheid. De Amsterdamse onderzoekers waren zich daarvan bewust en ontwikkelden een nieuwe methode: de ,,keuze-ehquête". Voordat de geënquêteerde gevraagd werd een keuze te maken tussen alternatieven, diende deze een hoeveelheid informatie over die alternatieven te verwerken en te beoordelen. De uiteindelijke keuze zou dan niet langer ,,ongefundeerd" mogen heten. Omslachtig? Misschien. Maar het ging er immers om een weloverwogen standpunt van de Nederlandse bevolking te vernemen inzake kernenergie? Onpartijdigheid Wanneer we de weg die de onderzoekers hebben gevolgd nalopen, dan wordt de degelijkheid van deze methode en de betrouwbaarheid van de resultaten die deze opleverde onderstreept. In een eerdere fase van de BMD werd men binnen de stuurgroep het erover eens dat, bij voortzetting van het huidige beleid, de benodigde hoeveelheid elektriciteit zal toenemen. Stelt men de behoefte in 1980 op 100, dan zal deze in het jaar 2000 naar schatting 135 bedragen; een groei van 35 procent dus. Eens was men 't ook over de invulling van negentig procent van die behoefte. Steenkool zou voorzien in 35 procent daarvan, aardgas in 15, aardolie en windenergie ieder in 5 en een extra energiebesparing zou nog eens 30 procent moeten opleveren. Omdat in de BMD kernenergie nu juist ter discussie stond, werd deze optie op voorhand buiten beschouwing gelaten. In de keuze-enquête konden de ondervraagden zich derhalve uitspreken
84
Kernenergie: onaanvaardbaar voor tweederde van de Nederlandse bevolking
over de invulling van de resterende 45 procent, waarbij gekozen moest worden uit gecombineerde pakketten van steeds drie alternatieven, samengesteld uit de volgende maatregelen: kernenergie, extra aardgas, aardolie, steenkool, windenergie en een extra besparing. Voor men de keuze bepaalde werd men echter eerst geconfronteerd met de gevolgen van de afzonderlijke maatregelen, die door de ondervraagden als voor- of juist nadelig moesten worden beoordeeld. Die informatie werd ontleend aan het inmiddels uitgebrachte tussenrapport van de BMDstuurgroep, samengevat en toegankelijk gemaakt en op onpartijdigheid en volledigheid getest, en OK bevonden, door diezelfde stuurgroep. Om nu te voorkomen dat men door deze hoeveelheid informatie het spoor bijster zou raken, werd de ondervraagde verzocht om via een puntensysteem het gewicht aan te geven dat men aan elk voor- of nadeel van een maatregel hechtte. Op basis van die afweging was het gemakkelijker om een voorkeur te bepalen voor de ene maatregel boven een andere. Zure regen Als gevolgen van een extra eriergiebesparing waren vermeld: een geringere omvang van energieverslindende industrie en een uitbreiding van de dienstensector, een flexibeler elektriciteitsopwekking, geringere welvaart dan wel een andere invulling daarvan, decentralisatie van de elektriciteitsproduktie en daardoor mogelijk een onzekerder levering, een hogere prijs
voor luxe artikelen en goedkopere energie voor de Derde Wereld. Nadat de ondervraagden voor elk gevolg afzonderlijk bepaald hadden of het als voor- of nadeel beschouwd moest worden, en in welke mate, bleek dat slechts één op de tien geënquêteerden in een extra besparing meer nadelen dan voordelen zag. Voor een kwart van de ondervraagden wogen voor- en nadelen tegen elkaar op. Een ruime meerderheid van bijna 64 procent kwam echter tot de slotsom dat een extra besparing meer voor- dan nadeel oplevert. De gevolgen van een extra hoeveelheid aardgas — een hogere elektriciteitsrekening, toename van het staatsinkomen, de beperkte gasvoorraad, een mogelijk veranderend wereldklimaat, luchtverontreiniging en zure regen, mét de vermelding dat de laatste drie gevolgen bij aardgas in geringere mate zullen optreden dan bij aardolie en steenkool — werden iets minder gunstig beoordeeld. Extra aardgas bleek voor zeven van de tien ondervraagden meer na- dan voordeel op te leveren. Twee van de tien meenden dat voor- en nadelen tegen elkaar opwogen, terwijl slechts één op de tien meer vóór- dan nadeel zag in deze maatregelen. Ongunstiger was de beoordeling van de gevolgen die kunnen optreden bij een extra inzet van aardolie: ook hier een hogere elektriciteitsrekening, een in principe beperkte voorraad, een veranderend wereldklimaat, luchtverontreiniging en zure regen, maar bo-
vu-Magazine 13(1984) 3 maart 1984
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1984
VU-Magazine | 536 Pagina's