VU Magazine 1984 - pagina 495
Congres besprak 'sprekende kerk':
'Orde op zaken stellen binnen de kerk heeft voorrang' "'t Is simpel. Maar móet 't dan ook allemaal zo moeilijk zijn?", vroeg mr. J. de Ruiter, in het dagelijks leven ministervan defensie, zich enigszinsvertwijfeld af tijdens een rondje discussiëren naar aanleiding van zijn bijdrage aan de conferentie omtrent 'Het spreken van de kerk'. Het stond op dat moment twee-twee in de strijd om de wenselijkheid van een kerk die zich onomwonden uitspreekt over sociaal-maatschappelijke vraagstukken. door Gert J. Peelen De Ruiter kwam met een inderdaad simpel en verrassend duidelijk standpunt op deze conferentie, op 8 en 9 november jl. georganiseerd door het Bezinningscentrum van de VU in samenwerking met het Multidisciplinair Centrum voor Kerk en Samenleving, en bijgewoond door een zeer select gezelschap van wetenschappers, politici en kerkelijke dignitarissen. De overheid koestert het leerstuk van de scheiding van kerk en staat en gevoelt weinig behoefte om daar verandering in te brengen, zo poneerde de minister, tevens oud-hoogleraar en -rector van de VU, aan het begin van zijn betoog: "Men kan hoog springen of laag springen, in een democratisch ingerichte staat zijn het alleen de overheidsorganen die in het politieke besluitvormingsproces een beslissende rol spelen. En waar overigens een nietoverheidslichaam, een kerk, een maatschappelijke organisatie of een individu iets eist van de overheid (zeggenschap, een adviesfunctie), zal die eis alleen gehoor kunnen vinden als er een regeling is die daarin voorziet." Daar had de minister — die naar eigen zeggen uitdrukkelijk 'op persoonlijke titel' sprak — het bij kunnen laten. Fundamenteel viel er weinig méér over het vraagstuk van de relatie tussen kerk en overheid te zeggen, aldus De Ruiter, maar vanwege zijn persoonlijke affiniteit met wat momenteel gaande is op het kerkelijk erf had hij, op dit punt aangeland, de pen nog niet neergelegd. Het feit dat de verhouding tussen kerk en staat weer actueel is leek hem namelijk veeleer een crisisverschijnsel van de kerköau van de staat. Niet in geding is of de kerk in politiek opzicht zou mogen spreken, want vanuit het gezichtspunt van de overheid en vanuit de vrijheid van meningsui-
VU-Magazine 13 (1984) 11 december 1984
ting.is dat vanzelfsprekend geen enkel probleem. Wél staat ter discussie de schijn van gezag, de niet passende extra legitimatie, waarvan kerkelijke uitspraken veelal vergezeld gaan. De kerk zou die pretentie niet moeten (willen) hebben aldus De Ruiter, die bovendien wees op de schade die de kerk zelf lijdt als gevolg van al te definitieve, te gedetailleerde en te geprononceerde politieke standpunten. Die vormen geen gevaar voor de overheid maar voor de kerk. De hevige interne discussie en verdeeldheid na recente kerkelijke uitspraken onderstrepen dat. "Wie het zwaard opneemt, zal door het zwaard vergaan", concludeerde De Ruiter bijbelvast maar wat onlogisch in het licht van zijn huidige werkkring. "In Nederland zijn overvloedig de mogelijkheden aanwezig, dat godsdienst en levensbeschouwing in de politiek doordringen door individuele inbreng en door de programma 's van politieke en maatschappelijke organisaties." De invloed van de kerk op de politiek is een indirecte, namelijk via de 'verkondiging' aan de gelovigen die als staatsburgers hun democratische inbreng hebben, zo luidde — anders gezegd — De Ruiters slotsom. En daarmee werd dan de discussie teruggevoerd tot het eigenlijke strijdpunt: en dat was niet zozeer de vraag of het de kerk geoorloofd is politieke uitspraken te doen maar veeleer de kwestie van de 'adressering' daarvan en het extra gewicht dat deze uitspraken volgens sommigen toekomt bij de uiteindelijke politieke afweging. Fuik Als gezegd was de stand na het ministeriële referaat gelijk: twee-twee. Want eerder traden in het strijdperk dr. M. A. M. Klompé (minister van Staat en on-
der meer ook voorzitter van Justitia et Pax) en dr. M. A. Thung (sekretaris van het mede-organiserende Multidisciplinair Centrum en oud-hoogleraar godsdienstsociologie te Leiden), die het politieke stellingnemen van de kerk van harte ondersteunden, én prof H. M. Kuitert (VU-hoogleraar ethiek en dogmatiek) die een, zacht gezegd, meer terughoudende rol in dezen van de kerk propageerde. Om met de laatste te beginnen: Kuitert bepleitte evenals De Ruiter een minder geprononceerde politieke opstelling van de kerk en wel om dit instituut tegen zichzelf te beschermen. "De kerk moet blijven", aldus de ethicus die meende dat men met de huidige praktijk van een sprekende kerk echter in de fuik loopt. Want wie is 'die kerk'?, vroeg hij niet zonder pathos. Een slechts kleine groep die gekozen leiders laat spreken, terwijl dat bij een vaak veel groter deel van het kerkvolk weerstanden oproept en frustraties teweegbrengt. Met andere woorden: in welk vaarwater begeven kerkleiders zich, die zich binnen een democratie met politieke machtsvorming inlaten, terwijl juist die kerkelijke besluitvorming allesbehalve democratisch is?, aldus Kuitert. "Ik zie heel goed in, dat waarheid en leugen niet door democratische beslissingen tot stand komen, maar niet minder duidelijk lijkt het mij dat waarheid en leugen evenmin worden vastgesteld door uitspraken van de kleinst mogelijke hoeveelheid vrijgestelden binnen de kerkgenootschappen. Kunnen synodes zich voor hun recht om namens mij te spreken, nog beroepen op het kerkrecht, aan uitspraken van de Raad van kerken ontbreekt elke kerkelijke rechtsgrond. Dat is pijnlijk. 'De kerk spreekt' moet toch beteke-
403
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1984
VU-Magazine | 536 Pagina's