VU Magazine 1984 - pagina 469
Van de overige vormen van gedwongen opnamen komt alleen de ibs in de Valeriuskliniek voor. Prof. Van Tilburg: "Er zijn wel mensen die vinden dat een gedwongen opname zoveel kwaad aanricht dat je ze beter af kunt schaffen. En inderdaad: of iemand die gedwongen wordt opgenomen nu werkelijk zo'n gevaar voor de samenleving oplevert is maar de vraag, als je ziet dat we veel grotere risico's als bij voorbeeld het verkeerssysteem accepteren." De Valeriuskliniek kent vijf psychiatrische afdelingen en een afdeling neurologie. Deze laatste afdeling zal binnenkort echter naar het VU-ziekenhuis verhuizen, zodat de Valeriuskliniek dan een 'echt' psychiatrisch ziekenhuis wordt. De twee gesloten opnameafdelingen (één voor mannen en één voor vrouwen) tellen elk zestien bedden. Twee open afdelingen voor voortgezette behandeling beschikken samen over zesendertig bedden, en de 'open setting' over zeventien. Deze laatste afdeling, bedoeld voor mensen die een wat langere behandeling nodig hebben, is overigens niet in de Valeriuskliniek gevestigd maar aan de overkant van het Valeriusplein. In 1982 waren er 451 opnamen en de gemiddelde verpleegduur bedroeg 93 dagen. Het beeld van psychiatrische ziekenhuizen die bevolkt zouden worden door mensen die daar jaren zitten, klopt dus niet. Voor de Valeriuskliniek omdat deze geen afdelingen heeft voor 'chronische patiënten'; de kliniek is geen compleet psychiatrisch ziekenhuis. Toch is ook in de loop van de laatste decennia in deze ziekenhuizen het aantal opgenomen patiënten afgenomen. Daar is prof. Van Tilburg ook wel blij mee: " J e ziet in heel Nederland een duidelijke toename in het aantal mensen dat weer naar huis gaat. Dat aantal is in de loop der jaren ook toegenomen door een aktief resocialisatiebeleid. Het kan ook veel korter denk ik, én veel slagvaardiger. Dat is iets wat ik studenten ook altijd vertel. Want zij denken vaak dat wie hier binnenkomt een geringe kans.he^eft om er ooit weer uit te komen. Er zijn natuurlijk ook wel mensen die niet naar huis kunnen, maar dat is echt een minderheid. Die kant mag óók wel eens belicht worden.
Sufgespoten De moderne psychiatrie kent een uitgebreid arsenaal aan behandelmethoden: sociotherapieën in allerlei vorm, psychotherapie, individueel of groepsgericht, medicatie etcetera. Toch worden desondanks nog regelmatig patiënten geïsoleerd, of 'gesepareerd', zoals isoleren wel eens eufemistisch wordt aangeduid. De frequentie van hetgebruikvan isoleercellen verschilt waarschijnlijk per ziekenhuis, maar vast staat wel dat het gebeurt, dat de behandelaars het als onontkoombaar zien, en dat de patiënten het afschuwelijk vinden. Tenminste, alswedeCliëntenbond mogen geloven. Zij gaf in 1983 een rapport uit over de isoleercel in de psychiatrie, 'Sfeneni/oorörood'. Hun definitievan isoleren: "Iemand afzonderen in een hok of in een i<amer aparf waarbij óf de deur op slot gaat óf de geïsoleerde door middel van mechanische dwang (bij voorbeeld vastbinden op bed) verhinderd wordt het hok of de kamer te verlaten." De praktijk van het isoleren is uiteraard geen plezierige. De gewone kleding gaat uit en de patiënt krijgt een pyjama of een zogenaamd 'scheurhemd' aan, of wordt helemaal naakt in de cel gestopt. Soms worden extra medicijnen toegediend. De verpleging komt op gezette tijden door het ruitje in de cel kijken. In sommige inrichtingen is er zelfs een tv-camera geplaatst met behulp waarvan patiënten onafgebroken in de gaten kunnen worden gehouden. Eten en drinken ("van plastic wegwerpmateriaal") worden af en toe gebracht. Het meest vernederende is echter dat er in de isoleercel geen sanitair aanwezig is. Soms is er een sluis met daarin een wastafel en wc, maar als de tussendeur op slot gaat, kan de geïsoleerde daar
382
toch geen gebruik van maken. Ook wordt wel eens een kartonnen po verschaft. Als er helemaal geen voorzieningen zijn en het verplegend personeel laat zich een hele tijd niet zien, blijft alleen het hoekje van de cel over. Al deze vervelende zaken zijn er natuurlijk niet voor niets. Over de redenen tot isoleren is de Cliëntenbond gaan praten met verschillende inrichtingen in Nederland. De belangrijkste redenen zijn dat de patiënten een gevaar voor zichzelf zijn ("suïdicaal"), voor anderen ("agressie, vernielen, brandstichting"), dat zij onrust veroorzaken (bij voorbeeld 's nachts veel lawaai maken), of dat ze angstig zijn. Als eden wordt ook wel genoemd een tekort aan personeel. De Cliëntenbond zet een aantal vraagtekens bij deze redenen. Zo vraagt zij zich af of je iemand werkelijk beschermt tegen suïcide door te isoleren. De gevoelens van angst en eenzaamheid die zo ontstaan zouden de suïcidedrang juist wel eens kunnen vergroten. Over 'agressie' als reden schrijft een ex-patiënt: "Gekneld in een spanlaken, banden om mijn polsen, lig ik in de isoleercel. Wat is het nut hiervan? denk ik achteraf. Onder dwang, met machtiging daar gebracht, opstandig, gevochten met verplegers, die mij per GGD-ziekenwagen kwamen halen. Door die opstandigheid in een dwangbuis, daar sufgespoten. Kijkend tegen onfrisse muren, nog faecaliënvlekken op de deken. Moet mijn behoefte doen, doe het maar in bed. Twee lampen, net een hypnotiserend licht, kijken mij aan. Ik word steeds radelozeren gekker." Patiënten die 's nachts onrustig zijn en om die reden medepatiënten uit de slaap houden, worden door het verplegend personeel - dat vaak geen andere mogelijkheid ziet — een nachtje in de isoleer gestopt. Dat is misschien nog wel te begrijpen, maar waar geïsoleerden geen begrip voor kunnerv opbrengen, is dat er volgens hen niet met ze gepraat wordt: "Ik werd geïsoleerd omdat ik met een nachtkastje had gegooid uit verdriet, maar niemand kwam op het idee om erover te praten met je. Ook werd ik geïsoleerd omdat ik niet wilde slapen, en de afdeling onrustig werd door mij, zeiden ze. Zulke dingen maken indruk op je, je zult ze nooit helemaal vergeten. Zo heb ik ook onder hetspanzeil gelegen, plus geïsoleerd. Dusje kunt wel begrijpen wat voorgevoel dat is. Gelukkig gaat het nu prima met me. En ik hoop dit nooit meer mee te maken."
Kerstboom En iemand met ongeveer dezelfde ervaring schrijft: "Met de kerstdagen, althans tweede kerstdag heb ik een hele dag in de isoleer gezeten, omdat ik de verlichting van de
" r ^' "'•'• - : ^ - 5 - v ™ ^, "'-•s^^s^^j^^sTsfïss^ïssïEï^^'^r^.ssïï^s?^
De oudste foto van de in 1910 gebouwde Valeriuskliniek
; kerstboom had doorgeknipt. In plaats dat ze nou met je • praten sturen ze je gelijk naar de isoleer en weten dan ! nog niet — wat ze van mij dan ook nooit komen te weten ; — w a a r o m j e z o g e h a n d e l d hebt." ; Dat deze behandeling, die door veel patiënten blijkbaar • als negatief ervaren wordt, z'n sporen nalaat, zal duide! lijk zijn. "Verschillende malen ben ik door een hel van ; eenzaamheid gegaan. Vooral door het isoleren. Het ; ergste is als de deur helemaal op slot zit en ze zelfs niet ; reageren op je roep om de po. Je eten krijg je wel maar ze ' zullen je niet verschonen, want alleen 's avonds mag je in ! bad. Ik tenminste. Als ik in de drek lag kon ik niet eten. Ik ; had niemand waarmee ik kon praten. Of het was een ; doodenkele keer dat iemand van de verpleging even bij • je kwam babbelen. Is het dan raar datje in de war raakt? I Als men eten bracht vroeg ik om de dominee. Dit verzoek ; werd niet ingewilligd. Ik ben blijven bidden en hopen en ; werd gedwongen door de stank te vasten. Resultaat, ik • werd broodmageren ziek." '• Jet Isarin beschrijft in haar boek 'Eigenwaan' de 'para'. dox van de psychiatrie'. Vanuit haar studie heeft ze voor ; zichzelf voldoende beredeneerd dat psychiatrische zie; kenhuizen niet zouden moeten bestaan. Als ze zelf • psychische problemen krijgt, merkt ze dat deze zieken' huizen — ze laat zich een paar keer vrijwillig opnemen — ! voor haar wél een bepaalde functie vervullen: ze nemen ; haar problemen serieus en ze erkennen dat ze 'lijdt'. • Soms is het zo slecht met haar dat ze een tijd in de • isoleercel gaat: "De angst om vergeten te worden voel ik I nu nog als ik in een lift sta. In de cel durfde ik geen ; moment mijn ogen dicht te doen, uit angst in een vol; strekt verlaten inrichting wakker te worden. Konstant • hield ik het luikje in de deur in de gaten, in de hoop '. tenminste even iemand te zien. De bekertjes met water I verloor ik niet uit het oog, om zo te voorkomen dat ze ; ineens zouden omvallen en ik de rest van de lange uren • zonder water zou zitten. Schielijk maakte ik van de '• kartonnen po gebruik als een verpleegkundige net door ; het luikje naar binnen gekeken had; ik wilde niet gezien ; worden in de vernederende houding, hangend boven ; een kartonnen po."
iPurealkohol ; Het toedienen van medicijnen wordt als een vorm van j ; therapie gezien. Sinds de jaren vijftig heeft de ontwikke1 • ling van medicijnen in de psychiatrie een enorme vlucht ; genomen. Het is dan ook niet overdreven te stellen dat ; dankzij medicatie mensen langer bui'ten de inrichting • kunnen blijven. e 13 (1984) 1 o november 1984
De Valeriuskliniek nu, dat wil zeggen, in de winter (Evert Nederveld, Valeriuskliniek)
In het algemeen worden de hier bedoelde medicijnen in drie groepen ingedeeld. Allereerst de middelen tegen psychosen, ook wel 'major tranquillizers' genoemd. Tegen de sterke bijwerking van deze middelen, die zich met name uit in bewegingsstoornissen, wordt vaak een antiParkinson middel gegeven. Dat deze medicijnen een bijzonder sterke werking hebben, blijkt uit dit citaat van Jet Isarin: "In de Bullewijk kreeg ik voor het eerst haldol, een antipsychoticum. Per dag 16 mg in een bekertje. Ik wist niet waarom ik het kreeg en ook niet welke bijwerkingen mete wachten stonden. Bij hetdoorslikken merkteik iets van de kracht van haldol; mijn keel brandde alsof ik een beker pure alkohol had leeggedronken. In de dagen daarna begon de ellende pas goed. Ik ging me bewegen als een houten pop, mijn handen trilden en ik kon geen moment meer stilzitten. Konstant zwaaide ik met mijn benen en steeds stond ik op... om op te staan. Een stukje lopen zonder doel, weer gaan zitten, omdat ook het lopen niet beviel. Praten ging me moeilijk af. Mijn tong lag als een dikke.
"Op een gegeven moment maakt een broeder de deur van een cel open om Jacob te kunnen helpen. Maar hij wordt plotseling weggeroepen en vergeet de deur te sluiten. Wij zien de patiënt door de kier kijken, hij heeft zijn hoofd al halverwege op de gang, hij kruipt de gang in. De andere patiënten kijken verbaasd. Ze hebben deze man tot nog toe niet gezien. Waar komt hij vandaan? Jammer genoeg sturen ze hem niet terug. Jacob kruipt op handen en voeten naar het kamertje van de dokter. De deur staat aan. De dokter is bezig injectie-spuiten te vullen. Een broeder staat voor de dokter in het vertrek en houdt een blad vol spuiten voor zijn buik. Plotseling wordt de deur opengeworpen en een wilde, dolle hond in de vorm van een bezwete jongeman komt razendsnel de kamer binnenkruipen. Hij gaat recht op de dokter, die van kleur verschiet, af, trekt zich aan zijn broekspijpen omhoog en kust hem de hand. Een vreselijk wild gebaar, een schokkend, snikkend lichaam, krampachtig probeert het zich staande te houden maar valt om. Jacob ziet hoe de injectiespuiten en de flesjes op de grond vallen. De naalden breken. Jacob kijkt naar de dokter en lispelt: 'Ik heb u lief..., zelfs ü heb ik lief beste man'. 'Voor de donder', zegt de dokter, 'die vent is er zwaarder aan toe dan ik dacht, breng hem terug naar zijn cel, geef hem een zwaardere medicatie, laten we in godsnaam hopen dat hij het leven niet laat'." Uit: 'Paviljoen E', in: J. M. A. Biesheuvel, Slechte mensen, 1973.
383
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1984
VU-Magazine | 536 Pagina's