VU Magazine 1984 - pagina 375
waardoor de arbeidsreserve gedurende tientallen jaren achtereen schrikbarend bleef toenemen. Sicilië werd een eiland dat in plaats van graan, mensen moest exporteren. Een proces dat in de tweede helft van de negentiende eeuw op gang kwam (onder andere emigratie naar de Verenigde Staten)en meteen korte onderbreking tijdens het regime van Mussolini, doorgaat tot op de dag van heden. Nog bij de volkstelling van 1971 trof men gemeenten aan waarvan de manlijke beroepsbevolking zich voor meer dan vijftig procent in het buitenland bevond. Tot na de Tweede Wereldoorlog bleef de landbouw op Sicilië gekenmerkt door een structuur, die niet bij de moderne agrarische ontwikkelingen in West-Europa aansloot. Mezzogiorno In verband met die eenzijdige agrarische structuur gebruikte de Italiaanse geograaf Rossi-Doria eens het beeld van het,,gebeente" en het,,vlees". Hij doelde daarmee op het steeds maar mensen uitstotende, geen welvaart brengende binnenland en de meer dynamische kustgebieden van Sicilië. De reiziger, die nu de kans heeft dit prachtige eiland per auto te doorkruisen, en zich daarbij de moeite getroost om de autostrada te mijden zal dit beeld ongetwijfeld herkennen. Toch zal de sociaal-geograaf die zich met dit weerbarstige eiland bezighoudt zich niet met deze verouderde regionale tweedeling in een arm, agrarisch binnenland en een welvarender, dynamischer kustgebied, tevreden stellen. Hij zal de vraag opwerpen of de ontwikkelingsarbeid die sinds 1951 plaatsvindt door het ,,Fonds voor het
Zuiden" (Cassa per il Mezzogiorno) deze regionale tweedeling niet doorbroken heeft. Verondersteld kan worden dat de gigantische geldsommen die door de EG in samenwerking met het Fonds voor het Zuiden, in Zuid-ltalië en Sicilië zijn geïnvesteerd, geleid hebben tot een meer gedifferentieerd beeld waarin althans sprake zou moeten zijn van de ontwikkeling van gebieden met grotere ontwikkelingsperspectieven. Statistische analyses en onderzoek in het veld wijzen niet op het bestaan van twee, maar van een vijftal ,,Siciliën". Schoenpoetser Allereerst zijn er de stedelijke gebieden, waarvan Palermo, Catania en Messina de grootste zijn. Kenmerkend voor deze gebieden is, dat ze na 1951 een ongebreidelde, chaotische groei hebben doorgemaakt. Voor een groot deel is die groei het gevolg van veelal illegale immigratie van Sicilianen, die vanuit het binnenland naar de steden trokken in de verwachting hier werk te vinden. In veel gevallen functioneerde deze kuststeden voor de immigrant na verloop van tijd als springplank naar een Westeuropese of Noorditaliaanse emigratiebestemming. De huidige economische crisis heeft aan deze Siciliaanse emigratie praktisch een halttoegeroepen. De naar de stad trekkende agrarische bevolking is doorgaans ongeschoold en komt terecht in marginale beroepen als schoenpoetser, krantenverkoper, schoonmaker of werkt in de ambulante straathandel dan wel in de tertiaire sector als manusje van alles. Kenmerkend zijn de duizenden éénen tweemansbedrijfjes waarmee men zich een bestaan probeert te verwer-
Ruïne bij CefalCi; een van de talloze overblijfselen die herinneren aan de vele invasies en immigratiegolven op Sicilië
ven. Onder grote groepen van de stadsbevolking komtarmoedevoor. Het is derhalve geen wonder dat de criminaliteit eveneens groot is. Deze criminaliteit, in de regel bestaande uit beroving en diefstal, wordt door bezoekers van met name Palermo nogal eens op één lijn gesteld met het verschijnsel Mafia. Met Mafia heeft deze vorm van misdaad echter niets te maken. Het is de diepe armoede en de uitzichtloze werkloosheid, die veel jonge Sicilianen ertoe brengt het niet zo nauw nemen met andermans bezittingen. Anders dan de Noorditaliaanse steden, zijn deze Siciliaanse steden arm omdat er nauwelijks of geen stuwende industrieën zijn waardoor de inkomsten laag zijn. Hierdoor zijn de gemeentelijke overheden niet in staat zorg te dragen voor de uitbouw en het in stand houden van de stedelijke infrastructuur. Kathedralen Toen het in 1957 de Italiaanse autoriteiten duidelijk werd dat de sinds 1951 door het Fonds voor het Zuiden gegeven hulp in onvoldoende mate leidde tot welvaartsverbetering van de bevolking, besloot men de ontwikkeling te richten op de industrialisatie. Zo werden op Sicilië een viertal industriële groeipolen gesticht, die te zamen het ,,tweede Sicilië" vormen. Aan de Noordkust vinden we deze bij de plaatsen Milazzo en Termini Immerese en aan de Zuidkust bij de plaatse /Augusfa en Gela. Deze industriële groeipolen zijn in twee typen te onderscheiden. De meest voorkomende gebieden bezitten kapitaalsintensieve en technisch geanvanceerde bedrijven (Petrochemische bedrijver^ van Gela, Augusta en Milazzo). Het resterende gebied, dat van Termini Immerese kent juist een arbiedsintensieve industrie met name een vestiging van Fiat waar de assemblage van de Fiat Panda plaatsvindt. De bedrijven in de groeipolen van het eerste type worden door economen en geografen om verschillende redenen \Ne\ eens,,Kathedralen in de Woestijn" genoemd. Deze benaming heeft betrekking op de geringe economische uitstralingseffecten van deze moderne industriële complexen. Weliswaar zijn ze op Sicilië gevestigd, maar ze hebben slechts een beperkte betekenis voor de werkgelegenheid in de omringende gebieden. Kapitaalintensieve bedrijven kennen een zo hoog technisch niveau dat het produktieproces met weinig arbeiders uitgevoerd kan worden. Ze zijn dus geen oplossing voor het probleem van de werkloosheid. Bovendien vloeien de
309
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1984
VU-Magazine | 536 Pagina's