Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1984 - pagina 354

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1984 - pagina 354

1 minuut leestijd

king van de delegatieleider van de VS tijdens de Algemene Conferentie van Unesco in 1976, in Nairobi; „...de meest effectieve manier om de huidige situatie minder onevenwichtig te mal<en is niet het belemmeren van het communicatievermogen van sommigen, maar het doen toenemen van dat vermogen van allen." Hiermee zou dan weliswaar tegemoet worden gekomen aan de kritiek op de onevenwichtigheid van de internationale nieuwsstroom in kwantitatieve zin, bezwaren tegen de kwaliteit van die nieuwsstroom zouden hierdoor niet worden ondervangen. Die bezwaren hebben betrekking op de vermeende westerse vooringenomenheid in de berichtgeving over ontwikkelingslanden (voorkeur voor het negatieve en sensationele) en op culturele dominantie die een gevaar voor de eigen culturele identiteit inhoudt. In hun streven naar een nieuwe internationale orde verlangen de ontwikkelingslanden toegang tot het mondiale informatie- en communicatiegebeuren (,,access to the media"). Een redelijk verlangen dat evenwel door het westen met meer of minder scepsis wordt aangehoord. Toegang tot de media akkoord, maar wie iaat wie toe en wie mag iets zeggen? Geldt de internationaal begeerde toegang ook de toegang tot de media op plaatselijk, regionaal en nationaal niveau in de ontwikkelingslanden? Dat betekent dat het om meer dan het regelen van de toegang gaat en wel om het vraagstuk van de beheersvorm van de media. Die vraag beantwoordt,, het" westen met een verwijzing naar het grote goed van onafhankelijke media; de ontwikkelingslanden, daarin gesteund door het Oostblok, bepleiten staatscontrole op de media met het oog op ,.development" en ,,nation building". Botsende visies in het streven naar een nieuwe informatie- en communicatie-orde is in de opvatting van de (meeste) ontwikkelingslanden nauwelijkstotgeen ruimte voor onafhankelijke, laat staan kritische berichtgeving. Media zijn instrumenten van partij of regering in het kader van ontwikkeling en ,,nation building". Dat proces is zo teer, de achterstand ten opzichte van de rijke landen zo groot, en de politieke structuur zo broos, dat een kritische pers een luxe is, die men zich eenvoudigweg niet meentte kunnen veroorloven. Voor deze denkbeelden kunnen de ontwikkelingslanden rekenen op steun van het Oostblok waar de media, zoals bekend, een dienende functie voor partij en staat dienen te vervullen.

288

De westerse visie verschilt fundamenteel van deze opvatting. In deze visie staat de vrijheid van meningsuiting centraal. Dat betekent dat de burger het recht heeft zich zonder voorafgaande toestemming van de overheid uit te spreken, bij voorbeeld over de manierwaaropzij/hij geregeerd wordt en haar/zijn belangen behartigd worden. ,,Het is niet aan de staat te beoordelen, of de burgers van die vrijheid een 'juist' gebruik maken. Persvrijheid is niet anders dan een aspect van die algemene vrijheid van de burger, ledere poging om die twee te scheiden, leidt tot aantasting van de meest essentiële elementen van de democratische orde^'." Dat betekent dat de vrije pers een dienende functie ten opzichte van de meningsvorming van de burger vervult (Boukema) zonder de ,, helpende" hand van de overheid. Tegenover deze opvatting staat de conceptie van media in dienst van de staat of partij. Met daaruit voortvloeiende opvattingen over ,,partijdige" resp. ontwikkelingsjournalistiek. Nu kan men erop wijzen én er begrip voor hebben, dat omstandigheden in ontwikkelingslanden soms zodanig zijn, dat deze — naar de opvatting van de autoriteiten — de weelde van het vrije woord nog niet verdragen. Is er nu zo heel veel op tegen om, gedurende een periode van opbouw, van ,,nation-builing" de media daaraan dienstbaar, dusdaaraan ongeschiktte maken? Heeft het westen in dit opzicht eigenlijk wel rechtvan spreken? Het VS-antwoord is ,,Congress shall make no law...". Het Nederlandse is al oud: ,,ende dat d'ondersaten niet en zijn van Godt gheschapen tot behoef van

den Prince om hem in alles wat hy beveelt, weder het goddelic oft ongoddelick, recht of onrecht is, onderdanich te wesen ende als slaven te dienen, maer den Prince om d'ondersaten wille, sender de weicke hyegheen Prince en is" (Plakkaat van Verlatinghe, 26 juli 1581) Hoe men het went of keert, kiezen voor een bepaald mediasysteem is kiezen voor een bepaald politiek systeem. Kiezen voor een systeem van overheidscontrole op de media is kiezen voor een totalitair systeem, of dit nu rechtsof links is. Daarin schuilt met name het gevaar van de ,,politisering" van Unesco waartegen het westen zich verzet. Weliswaar is de kritiek op de westerse nieuwsvoorziening over ontwikkelingslanden voor een deel niet zonder grond, maar voor een ander deel heeft die kritiek betrekking op informatie over ontwikkelingslanden die de heersende groeperingen in die landen onwelgevallig is en een bedreiging van hun positie inhoudt. Maatregelen ter bevordering van een meer evenwichtig internationaal informatieverkeer zullen daarom altijd genomen dienen te worden binnen de grenzen van en getoetst moeten worden aan het recht op resp. de vrijheid van informatie. Om het met de woorden van de nota ,,De rechten van de mens in het buitenlands beleid" (1978-1979) te zeggen: ,,Hetstreven naar een meer evenwichtige internationale situatie op het gebied van informatie en communicatie dient dan ook gericht te zijn op een ruimere verwezenlijking van de vrijheid van informatie in de wereld en zal

Een jaartje leenden de VS in 1976 een omroepsateliet aan India. Tot in de verste uithoeken van het land konden de uitzendingen wordtn ontvangen. Zelfs op de TH in Eindhoven was India ontvangbaar. De tv-sateliet overschrijdt alle grenzen. Internationaal dispuut is sinds jaar en dag of het ene land cultureel in het andere mag penetreren zonder toestemming van de regering van dat andere land. Rijke landen denken daarover anders dan economisch zwakke landen. (Boyd Sommerlad, Onze Wereld)

vu-Magazine 13(1984) 8 september 19

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1984

VU-Magazine | 536 Pagina's

VU Magazine 1984 - pagina 354

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1984

VU-Magazine | 536 Pagina's