Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1984 - pagina 92

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1984 - pagina 92

5 minuten leestijd

In de eerste jaren van het bewind van koning Willem I kreeg ongeveer de helft van deterdoodveroordeelden uiteindelijk genade. Na 1820 werd het aantal gegratieerden langzaam maar zeker groter. Na 1860 kregen alle tachtig tot de zwaarste straf veroordeelden gratie. Vergiftiging Wat moest men eigenlijk misdreven hebben om deze straf te krijgen? Het wetboek van strafrecht dat het grootste deel van de vorige eeuw van kracht was, de van Frankrijk geleende Code Pénal, kende zo'n dertig ,,kapitale" delicten. Maar in de praktijk werden vooral wegens zeven daarvan doodvonnissen opgelegd. De delicten tegen tiet leven leverden van 1811 tot en met 1870 253 doodvonnissen op. Hiervan werd 32 % ook ten uitvoer gelegd. Het waren moord, doodslag, vader- of moedermoord, kindermoord en vergiftiging. De delicten, die niet tegen het leven waren gericht, zoals brandsticfiting, valse munterij, en diefstal onder vijf verzwarende omstandigfieden leverden ook 253 doodvonnissen op, en daarvan werd slechts 8 % uitgevoerd. Aan deze cijfers kan men zien dat het voor gratieverlening kennelijk veel uitmaakte of een kapitaal delict dodelijke slachtoffers maakte of niet. Uit naspeuringen bleek al spoedig dat aan 's konings beslissingen over leven en dood van al die gevonnisten een heel systeem van overwegingen ten grondslag lag. Elk geval werd, nadat hetveroordelend gerechtshof het laatste woord gesproken had, nog eens nauwlettend op zijn ,,gratiev^aardigheid" onderzocht. De koningen Willem I, II en III bemoeiden zich daar niet of nauwelijks mee. Zo'n gratiegeval werd onderzocht door de Hoge Raad (vóór 1838 het Hooggerechtshof). Dit college bracht, nadat het zich uitgebreid op de hoogte had laten stellen.

hij halsstarrig bleef ontkennen, geen berouw toonde en niet de onderworpenheid aan de dag legde, die men graag zag, maakte dat zijn kansen op gratie er niet groter op. Toch was dit laatste niet van doorslaggevend belang. Ook het vermeende algemeen belang speelde een rol bij het al of niet door laten gaan van de terechtstellingen. Als men meende dat een terechtstelling niet het verwachte afsctirikkingseffeet zou oproepen, dan kon het een reden zijn de koning aan te raden gratie te verlenen. Zo kwam het voor dat de veroordeelden blind of zeer oud en „ van een fioogst ellendig en lijdend voorkomen"vjaren. Men was bang dat het publiek — de terechtzittingen waren openbaar — medelijden met de gestrafte zou krijgen. Dit kon afbreuk aan het prestige van de justitie doen. Deze gerichtheid op de publieke opinie kon ook in het nadeel van de ter dood veroordeelde werken. Als de adviseurs meenden dat een bepaalde soort misdaad ongewenste proporties begon aan te nemen, dan vergrootte dit de neiging weer eens een duidelijk voorbeeld te stellen. Of de openbare terechtstelling op het schavot werkelijk de heilzame uitwerking op het publiek had, die men ervan verwachtte, is een vraag die men, zeker in de eerste decennia van de vorige eeuw, nog niet stelde. Het werd als vanzelfsprekend aangenomen.

advies uit aan de koning. Maar dit advies passeerde eerst nog de Minister van Justitie, die het in routinegevallen zonder veel commentaar aan de koning doorstuurde. In bijzondere gevallen voegde de minister er ook nog een eigen commentaar aan toe, dat nietaltijd overeenkwam metdatvan de Hoge Raad. Wat deed de koning nu als hij zo'n zware beslissing over leven of dood moest nemen? Als de adviezen eensluidend waren, was er geen probleem: de koning deed wat hem werd aanbevolen. Liepen ze uiteen, dan volgde hij vrijwel altijd het — doorgaans mildere — advies van de Ministervan Justitie op. Afschrikkingseffect Een andere vraag is: waarom werd er gratie verleend, en dan nog wel op zo'n grote schaal, dat het leven van driekwart van alle terdoodveroordeelden gespaard bleef? Het bleek dat de heren gratie-adviseurs van de Hoge Raad een bonte reeks motieven konden aanvoeren, als het er om ging voor iemands leven of dood te pleiten. Medelijden voor de veroordeelde, of begrip voor de moeilijke omstandigheden, die hem of haar tot de misstap brachten was daar zelden bij. Toch hadden de zo zwaar gestraften soms misstappen begaan, die wij nu moeilijk tot de zware criminaliteit zullen rekenen. Onder de 126 wegens brandstichting veroordeelden waren heel wat dienstmeisjes en boerenknechten, die alleen maar een poging gedaan hadden, of uit wraak een vuurtje in de schuur van hun baas hadden gesticht dat meteen ontdekt en geblust was.

Barse strengheid Zoals we al zeiden: 1846 is een merkwaardig jaar in de geschiedenis van de doodstraf. Er werden liefst 35 doodvonnissen uitgesproken. Het was middenin een roerige tijd met mislukte oogsten, aardappelziekte, voedseltekorten, hoge sterftecijfers en ook nogal wat sociale onrust. Uit de statistieken blijkt dat er in de jaren rond 1846 veel meer mensen wegens diefstal en bedelarij werden veroordeeld dan daarvoor en daarna. Eén van de mis-

Het waren eigenlijk maar enkele vragen, die men zich bij het afwegen van het voor of tegen van gratie stelde. Is het wetsartikel op grond waarvan ter dood is veroordeeld niet te streng? Is het uitvoeren van het doodvonnis in het algemeen belang? Ook keek men naar de houding van de gestrafte. Als

iiJli|L, ..

1

;;

M^ji \ ' 'TTF-'='^

!

|

M

F - -^^J^^

ER ItlpiM l${c\itrtp bott btrberfopfn/ JSct grtfTtkn mict mtn bat fecBoyn, Kleyn edieverydoet verder lopen Metgeesselen moet men dat bekopen

74

JtttOt mm MMH n tttAt in trs' Cen bc«ii*ni«t krat ttbin nog if. Steelt men voorten raakt in ley Een brandmerk komt'er dan nog bij

^Y' L_-^^ =- •-•.

1

I^Ki

C*»t VMMfioo#jpn quabrgangn/ t Cynr ftnt DM it o^gtfianot*» Gaat men booszijn quade gangen 't Eynd daar van is opgehangen

vu-Magazine 13(1984) 2 februari 1984

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1984

VU-Magazine | 536 Pagina's

VU Magazine 1984 - pagina 92

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1984

VU-Magazine | 536 Pagina's