VU Magazine 1984 - pagina 353
EIS^B"
positie die het binnen de organisatie inneemt als gevolg van de overweldigende toename van het aantal leden uit de Derde Wereld? Van de thans 161 leden is ruim tweederde afkomstig uit de Derde Wereld. Gaat het daarbij om een strijd der geesten die door verschillende ideologieën worden gevoed of om gerechtvaardigde eisen inzake meervrijheid voor en gelijkheid van de ontwikkelingslanden? Ontwikkelingen op het gebied van de vrijheid van informatie kunnen hierbij als illustratie dienen. Informatievrijheid Unesco's communicatieverhaal begint vorm en inhoud te krijgen in de jaren '70. Het was, naar de opvatting van McPhaiP), in de vacuümachtige sfeer van het begin van de jaren '70 dat een serie onschuldig lijkende resoluties werd geïntroduceerd met betrekking tot de rol van de massamedia in onze samenleving. Zo kregen tijdens de Algemene Conferentie in 1970 vragen inzake een informatie-orde de aandacht van Unesco en werd de directeur-generaal gemachtigd lidstaten behulpzaam te zijn bij hetformuleren van hun massacommunicatiebeleid. In 1972 hield de problematiek van de directe omroepsatelliet de gemoederen van de Algemene Conferentie bezig. In het bijzonder ging het daarbij om de vraag of men, ongevraagd, televisie-uitzendingen vanuit andere landen zou moeten dulden. Of dat eerst voorafgaande toestemming (,,prior consent") door het potentieel te bestralen land moest worden gegeven. Door de VS en een aantal andere, westerse landen werd de gedachte van voorafgaande toestemming verworpen met een beroep op de informatievrijheid. DoordeSowjet-Unie en Derde Wereld-landen werd de noodzaak van ,,prior consent" sterk bepleit. Alleen zo zou ongewenste — imperialistische — propaganda tegengegaan en de eigen culturele identiteit beschermd kunnen worden. Een daartoe strekkende resolutie, ingediend door de Sowjet-Unie, werd aanvaard metSSstemmen voor, zeven tegen (waaronder de VS) en 22 ontInoudingen. Debatten In een andere, eveneens door de Sowjet-Unie ingediende resolutie, werd de directeur-generaal gevraagd een declaratie voor te bereiden over ,,fundamenteie beginselen die het gebruik van massa-informatiemedia sturen met het oog op het versterken van vrede en begrip en het bestrijden van oorlogspropaganda, racisme en
VU-Magazine 13 (1984) 8 september 1984 ..^ito
De Senega lees M. Amadou Mahtar M'Bow is directeur-generaal van de Unesco. Zijn beleid zint Amerika niet(DominiqueRoger, Onze Wereld)
apartheid". Het zou tot 1978 duren voordat een declaratie over dit onderwerp werd aangenomen. Heftige debatten hadden plaats gedurende de Algemene Conferenties van 1974 en 1976 in verband met de voorgestelde staatscontrole op de media, waarmee het westen nooit genoegen zou kunnen nemen. Nadat de scherpe kanten van de verschillende ontwerp-declaraties waren verwijderd en de angel van de verantwoordelijkheid van staten voor media ,,under their jurisdiction" eruit was gehaald, werd tijdens de Algemene Conferentie van 1978 de zgn. Media Declaratie aanvaard:,,Declaration on Fundamental Principles Concerning the Contribution of the Mass Media to Strengthening Peace and International Understanding, to the Promotion of Human Rights and to Countering Racialism, Apartheid and Incitementto War". Nieuwe Informatie Orde? In de preambule van de Media Declaratie zegt de Algemene Conferentie zich bewust te zijn van het streven van de ontwikkelingslanden naar het vestigen van een nieuwe, rechtvaardigere en effectievere wereld informatie-en communicatie-orde. Het streven van de ontwikkelingslanden naar een nieuwe informatie-orde is verklaarbaar. De internationale nieuwsstroom is overwegend een stroom van noord (met éénderde van de mensheid) naar zuid (met tweederde van de wereldbevolking); viervijfde van het wereldnieuws wordt geleverd door de 'grote vijf: Associated Press en United Press in de Verenigde Staten, Reuters in Groot-Brittannië, Agence France Presse in Frankrijk en
Tass in de Sowjet-Unie. Dat betekent dat de ontwikkelingslanden met hun nieuws tegen de stroom op moeten roeien. De voorgestelde nieuwe orde kan worden omschreven als een geleidelijk proces dat een rechtvaardiger evenwicht in de informatiestroom (naar omvang en inhoud) zoekt. Daarbij wordt het recht op zelfbeschikking ten aanzien van een eigen communicatiebeleid benadrukt en gaat het om het tot hun recht laten komen van de ontwikkelingslanden. Dat ziet er heel fatsoenlijk uit. Waarom heeft deze nieuwe-orde problematiek dan zoveel beroering teweeggebracht? Wat op dit terrein gebeurt, kan niet worden losgezien van het streven naar een Nieuwe Internationale Economische Orde (NIEO). Tegenover de dominantie en suprematie van het westen wordt daarin het beginsel van ,,self reliance" benadrukt evenals het autonoom kunnen beschikken over eigen, natuurlijke hulpbronnen. Bijzondere aandacht zou moeten worden besteed aan informatie en communicatie. De kern nu van de problemen die door het NIEO-streven zijn gerezen, wordt gevormd door de tegenstelling tussen het evenwichtiger verdelen van de bestaande rijkdom in de wereld en het realiseren van een uitbreiding van de rijkdom doormiddel van ontwikkeling. In het eerste geval maken de ontwikkelingslanden aanspraak op hun deel; in het tweede gevai — voorgestaan door de VS — hoeft niemand iets in te leveren maar wordt er toegevoegd aan wat reeds is en wel ten gunste van de ,,have-nots". Deze tegenstelling kan worden geïllustreerd aan de hand van een opmer-
287
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1984
VU-Magazine | 536 Pagina's