VU Magazine 1984 - pagina 49
Dr. Boon schreef boek over engelen
,Pedant ongeloof ontmaskerd' Onder de titel ,,Overde goede enge/er? "verscheen in 1983 bij Boekencentrum een boek van dr. R. Boon. Voor veel lezers van VU-magazine zal deze auteur geen onbekende zijn. Zijn boek „Hef C/?r/sfóndom op c/e focA7f"werd een aantal jaren geleden in dit blad besproken óoor prof. dr. J. van der Hoeven. Verder heeft dr. Boon een aantal jaren het /eer/?u/s aan de VU geleid. Wij zijn van deze auteur gewend dat hij zijn studies over bijbel, kerk en theologie plaatst tegen het decor van de cultuurgeschiedenis waardoor vaak onverwachte samenhangen aan de dag treden. Zo ook bij dit boek dat als alternatieve titel meekreeg, ,,De ontmaskering van een pedant ongeloof" metöe naóere aanóu\ö\ng,,een cultuurkritische studie".
door prof. dr. E. H. van Gist Het boek is fraai geïllustreerd met voorstellingen van de engelenwereld van de 6e tot de 17e eeuw. Dit laatste is veelbetekenend. Na de 17e eeuw verdwijnt dit motief uit de beeldende kunst, de eeuw waarin de radicale wijziging in wereldbeschouwing doorbreekt CGa///e/). Mijn eerste reactie toen ik dit boek in handen kreeg was er een van aarzeling. Ik realiseerde mij — en velen zullen dit waarschijnlijk herkennen— dat het bestaan van engelen dat in mijn kinderjaren een vanzelfsprekend gegeven was naderhand vervaagde en geruisloos uit het bewustzijn verdween. Het bestaan van engelen werd een historisch gegeven, iets van een vroegere periode. Engelen hadden destijds in de kerstnacht gezongen, dat was nu voorbij. Boon heeft gelijk wanneer hij begint met te constateren ,,dat wij in onze cultuurwereld ver verwijderd zijn geraakt van een ontvankelijkheid voor de dingen die boven zijn" {Có.ZA ,2). D\\ is een van de grote problemen van onze westerse samenleving, zowel buiten als binnen de kerk. Er wordt gesproken over een „zelfopsluiting in een bekrompen materialistisch wereldbeeld" waardoor wij ons het zicht benemen op de dingen die boven zijn. Ik zou er aan toe willen voegen dat daarmee ook het zicht benomen wordt opdedingendie„óe/iec/e/T'zijn. Wat de auteur zich in dit boek nu voorstelt is een „ontmaskering van waanwijs ongeloof als op kortzichtigheld en blikvernauwing gebaseerd vooroordeel", een ontmaskering die aan het licht moet brengen „hoe vermolmd de onderstellingen en preten-
vu-Magazine 13 (1984) 1 januari 1984
ties van dat pedante ongeloof zijn". Dat zijn geen kinderachtige uitspraken. We moeten er echter wel voor waken deze exclusief te hanteren want het bedoelde „pedante ongeloof" is een eigenschap van zowel gelovigen als ongelovigen, Zevende hemel Ter oriëntatie wordt in een eerste hoofdstukje een korte schets gegeven van de plaats van de engelen in het christelijk geloof. Uit oude liturgieën blijkt dat de engelen betrokken zijn bij de viering van de liturgie. Dat is in overeenstemming met Ps. 138 waarin gezegd wordt ,,/n tegenwoordiglieid der engelen zal ik U psalmzingen". (Het NBG vertaalt goden i.p.v. engelen). In de wereld van het NT zijn de engelen geen randverschijnsel. Bij vele gebeurtenissen in het leven van Jezus blijken engelen betrokken te zijn. In hoofdstuk 2 wordt uitvoerig aandacht besteed aan de engelenwereld in het bijbelse en na-bijbelse jodendom. Hieruit noteren we dat het visioen in Jes. 6, waarin over serafs wordt gesproken, met de visioenen in Ezechiël 1 en 10 in jodendom en christendom de inspiratiebronnen zijn geweest Voor de geloofsbezinning op de hemelse eredienst. De zevende en belangrijkste hemel — bekend is nog de uitdrukking „in de zevende hemel z/yn" - die vermeld wordt in het apocrieve boek Henoch blijkt de verblijfsplaats te zijn van de aartsengelen waartoe de serafs behoren. De apocrieve boeken en de apocalyptische literatuur blijken een rijke bron te zijn m.b.t. de wereld van de engelen. Een
centrale gedachte die ook in het NT aan de orde komt is dat engelen de gebeden van de gelovigen berniddelen. Zo lezen we in het boek Openbaring (8: 3, 4) dat de gebeden met de geur van wierook uit de hand van de engel opstegen voor het aangezicht van God. Een andere gedachte is die van de bewaarengelen waarvoor de grond werd gevonden in Matth. 18:10: „Zie toe, dat gij niet één van deze kleinen veracht. Want ik zeg u dat hun engelen in de hemelen voortdurend het aangezicht zien van mijn Vader, die in de hemelen is". Karakteristiek is ook de opvatting (in de apocalyptische literatuur) dat de uitslag van de strijd tussen de machten op aarde bepaald wordt door de strijd in de hemelse gewesten tussen de beschermengelen van beide partijen. De verleiding is groot om nog meer aan te halen, het is boeiende stof, maar uit dit hoofdstuk alleen nog dit. Besproken wordt dat de taal van de Schrift de taal van de verbeelding is waarin legende en symbool een centrale rol spelen. En dit betekent dat bij de hoorder het functioneren van de verbeelding een onmisbare factor is bij het verstaan van de Schrift. De grondregel hierbij is dat rede en verbeelding op eikaar betrokken moeten blijven, een gedachte die ook door dr. O. Jager in zijn boek ,,Opklaring" onderstreept is. Voorstellingsvermogen Wij zouden dit gegeven de spil kunnen noemen waar het betoog van Boon om draait. Alleen al vanwege de paragraaf HF waarin dit aan de orde wordt gesteld is het de moeite waard kennis te
35
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1984
VU-Magazine | 536 Pagina's