VU Magazine 1984 - pagina 160
Roelf Haan:
Hetgaatc zwakken De vorige maand werd op deze pagina de vraag gesteld of het kabinetsbeleid van dit moment zich zomaar zou mogen verschansen achter een beroep op het — bij anti-revolutionairen in ere zijnde — beginsel van de .souvereiniteit in eigen kring'. Premier Lubbers meent van wel, en ik citeerde een reactie van een Trouw-lezer. Dat de verantwoordelijkheden in het economisch proces op een,,lager" niveau moeten komen te liggen, zoals Lubbers zegt, komt hierop neer, zo citeer ik deze lezer verder, dat,,de anonieme, gevoelloze massa in een onverkwikkelijke touwtrekkerij tussen werkgevers en werknemers mag uitmaken hoe het nationaal inkomen wordt verdeeld. Waar ter wereld", vraagt hij zich in dit ingezonden stuk af, ,,is dat ooit op rechtvaardige wijze gebeurd?" Ik heb toen beweerd, dat de heer Lubbers in plaats van het calvinistische beginsel van de ,souvereiniteit in eigen kring', gemakshalve een ander principe op het oog had, dat er in het CDA nog al eens mee wordt verward, namelijk het roómskatholieke gezichtspunt van de .subsidiariteit', volgens hetwelk de overheid mag optreden .in plaats van' .lagere' samenlevingskringen, als die hun taken niet naar behoren uitvoeren of kunnen uitvoeren. Lubbers hanteert in feite dit principe in omgekeerde richting: hij constateert dat de overheid te veelóoet, en zo die .lagere' samenlevingskringen voor de voeten loopt. De overheid mag dit in de visie van Lubbers kennelijk een-
134
zijdig vaststellen, mits zij het parlement niet principieel tegenover zich vindt. Wat is n u het versch il tussen dit calvinistische en dit roomskatholieke principe? Het eerste zou ik kwalitatief en structureel willen noemen, en het tweede kwantitatief en vloeiend. De roomskatholieke sociologie ziet de samenleving als één grote familie, een nationale .gemeenschap', met aan de top de nationale overheid. Die staat het hoogst. De rest staat .lager'. Daarom is er n iet zozeer sprake (zoals bij de anti-revolutionairen) van naar hun aard verschillende, ze\1s n\ettoie\kaar ,herleidbare' samenlevingskringen, maar van een .meer' of .minder' hoog. Het roomskatholieke taalgebruik heeft het dan ook over .intermediaire' structuren; die zweven ergens tussen het individu en de staat in. Deze opvatting over de verhoudingvan .individu' (door Groen van Prinsterer een .revolutieterm' genoemd!) en .staat', is in wezen liberaal. Het is geen .architectonische' geen antirevolutionaire maatschappijbeschouwing. In feite is het een aanpassing aan het liberalisme, zij het op basis van een visie op de samenleving die oorspronkelijk allesbehalve liberaal was, namelijk die van de Griekse en Romeinse oudheid. De staat omvatte alles; de familiehuishouding was daarnaast de belangrijkste samenlevingsvorm, maareen lagere, een,pijler' van de staat. Ook nu nog. in historisch totaal veranderde omstandigheden kan men mo-
de
ralistisch horen spreken over de familie als .pijler van de samenleving'. De samenleving is uiteindelijk de staat. In hetanti-revolutionaire denken omvat de staat niet alles. Hij kan niet zomaar bevoegdheden aan zich trekken, of zoals Lubbers voor ogen heeft, weer afstoten. De staat is namelijk niet het hoogste gezag. De familie bij voorbeeld is van deze,nationale gemeenschap' geen deel. Zij is anders, en kan niet op dezelfde gemeenschapsnoemer worden gebracht. De staat heeft in het antirevolutionaire denken een eigen taak, die niet door zijn omvang is afgeperkt, maar naar zijn specifieke gezichtspunt. Abraham Kuyper onderscheidde de staatstaak eens als volgt: er is 1) .,de verplichting die op de overheid rust om bij gebleken onmacht der onderdanen, tijdelijk voor hen te doen wat. bij normale toestand, op henzelf als taak rust" (dit lijkt dus op het .subsidiariteitsbeginsel'); 2) ,,de verplichting om openbare regeling van rechten te verzekeren, waar deze, aan private handhaving overgelaten, wankelt" (hierwordt de specifieke taak van de overheid op het terrein van het publiek recht aangegeven); en 3) de verplichting om tijdelijk het zwakke, dat bezwijken zou, te steunen" (hier wordt een doelstelling geformuleerd, die kenmerkend behoort te zijn voor het politieke beleid. Kuyper voegt hier nog iets aan toe (ik citeer uit zijn geschrift Proeve van pensioenrege-
ling voor werklieden en huns gelijken uit 1895); hij zegt „Isdoor misstanden, met name door misstanden, waaraan verkeerd beleid der overheid geen gering aandeel heeft, het pauperisme in evenredigheden uitgebroken die verre de zedelijke en geldelijke kracht van de barmhartigheid te boven gaan, dan treedt de overheid op om het zwakke te beschermen." Aan deze grens van de overheidstaak is in principe geen einde. Zij is niet zoals in de .kwantitatief'-liberale visie, naar haar omvang bij voorbaat vastte stellen, vooral niet na de intussen (sinds Kuyper) opgetreden structureel- economische veranderingen. Dat hangt van de rechtssituatie van de zwakken af! Vooral wanneer die positie door eerder overheidsbeleid is beïnvloed. Eén enkel voorbeeld: als het overheidsbeleid is geweest buitenlanders op Nederlands grondgebied toe te laten, dan brengt het rechtsgezichtspuntén de beleidsverantwoordelijkheid van de overheid mee. dat die situatie niet maar even op opportuniteitsgronden (namelijk vanwege de voorgestane economische politiek) wordt .afgebouwd', door allerlei beperkingen op het familieleven en de bewegingsvrijheid van de .gast'arbeiders. De familie is geen manipuleerbaar onderdeel van de staat. En déze familie behoort tot de zéér zwakken in de samenleving. Zulke voorbeelden die duidelijk maken waar het om gaat. zijn er te over. Lubbers zij voorzichtig met zijn anti-revolutionair taalgebruik!
vu-Magazine 13 (1984) 4 april 1984
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1984
VU-Magazine | 536 Pagina's