VU Magazine 1984 - pagina 98
Uit de Hortus
Netels, doornen en distels Vil Daan Smit ,,Engij, mensenkind, wees niet bevreesd vooriien nocli voorliun woorden, al groeien er netels en doornen bij u en al woont gij bij schorpioenen;..." (Ezechiël2:6) Er bestaat geen enkele twijfel, dat de verschillende soorten brandnetels, die ook in het Heilige Land overvloedig voorkomen, niet in een of andere bijbeltekst ter sprake zouden komen. In het boek der boeken zijn dan ook veel passages te vinden waar aan netels, doornen en distels wordt gerefereerd. Het is soms moeilijk na te gaan welke soort plant er nu precies werd bedoeld. Kenmerkend voor brandnetels is, dat ze ondanks het gebrek aan stekels of doorns, bij aanraking toch schrikreacties veroorzaken, veelal gevolgd door pijn. De oorzaak is een gevolg van het feit dat de vele brandharen die zich op het bladoppervlak bevinden, bij aanraking afbreken, waarbij het vrijgekomen vocht de huid binnendringt en zo een reactie oproept, die bij de meesten onder ons als niet plezierig wordtervaren. Brandharen zijn met het blote oog nauwelijks waar te nemen. Vergroot zien ze er uit als een lange, holle, naaldvormige cel, met een kromme, iets verdikte punt. De voet van iedere haar is peervormig en omgeven door bladcellen die te zamen een kommetje vormen. De top van het haar breekt bij de minste aanraking schuin af, op een plaats die onder de microscoop duidelijk zichtbaar is. De verkiezelde celwand van het haar, die erg scherp is, doorboort de huid, waarbij de giftige vloeistof die het binnenste van het brandbaar bevat het weefsel van de onderhuid binnendringt. De scherpe haartop te zamen met de giftige celinhoud veroorzaken het jeukende, branderige gevoel.
80
Het gif dat in chemisch opzicht dicht bij dat van slangegif staat, is zo krachtige dat eentiende van een miljoenste gram reeds genoeg is om een vlek op de huid te doen ontstaan. Het geslacht Urtica — een oude Latijnse plantenaam, afgeleid van Urere — branden — telt een 50-tal verschillende soorten, waarvan de meeste te vinden zijn op het noordelijk halfrond. Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen eenjarige en overblijvende soorten. Urtica dioica, de grote brandnetel, die tot de laatste groep behoort, is overal te vinden waar de mens actief is. Het zijn vooral stikstofrijke stortplaatsen die door deze soms wel drie meter hoog groeiende plant worden bevolkt. De plant vormt soms een lastig en hardnekkig oniwuid, dat moeilijk uitte roeien is, vanwege de gele, lange, kruipende wortelstokken waarvan altijd wel een stukje in de grond achterblijft. Zolang de scheuten jong zijn, kunnen ze als spinazie worden gegeten. De vezels uit de stengels werden voordat het katoen in Europa was doorgedrongen, lange tijd gebruikt voor de vervaardiging van mousseline. Als geneeskrachtig kruid stond de grote brandnetel eveneens in hoog aanzien. Dodonaeus schrijft hierover in zijn CruydtBoeck (1644): ,,De bladeren van Netelen met Mosselen ghesoden ende ghedroncken maken eenen sachten kamerganck, ende doen ghemackelijkck water maken, ende drijven den steen oft hetgra veel uyt de nieren. Deselve metghepelde gerste oft gerste-water ghesoden worden goetghehouden om de borst te suyveren. Men pleegh deselve bladeren oockkleyn te stooten, ende 't sap daervan in den neuse te steken, om den bloedtloop uyt den neuse te stelpen, 't Saet suyvert de borst van alle
taye fluymen, ende is mitsdien goedtteghen de kortigheydt van den adem, sweeringhe derLonghere, als dat methonighghemenghtis, ende dikwijls gheleckt wordt. 'tSaetvan Netelen metEdick plaestersghewijse op-geleydt is goedt, teghen alle qualijck gheneesbare puysten die op de huyt komen; teghen alle placken ende vlecken oftonsuyverheden des huyts; insghelijcks teghen de harde geswillen, in sonderheydtdie achterd'oore komen. Men maeckteen wonderbaerlijcke plaester teghen de Sciatia of gicht (ischias)." Ook werden verse bebladerde brandnetelstengels gebruikt tegen reumatiek. Uit rottende stengeldelen wordt door voorstanders van biologisch-dynamische bestrijdingsmiddelen het bekende brandnetelgier bereid, ter bestrijding van o.a. bladluizen. Urtica dioica, een meestal tweehuizige plant, kan, indien men de juiste tijd van het jaar kiest — zo tegen juli-augustus — een interessant schouwspel opleveren. Tijdens warme, zomerse dagen exploderen de mannelijke bloemetjes namelijk bij het opengaan. De gebogen meeldraden strekken zich dan zo plotseling, dat een klein stuifmeelwolkje ont-
staat, dat door de wind wordt meegenomen naar een vrouwelijke plant die in bloei staat. De kleine brandnetel, Urtica urens, is eenjarig en éénhuizig, wordt ± 60 cm hoog en is minder algemeen dan de grote brandnetel. Ook Urtica pilulifera is éénhuizig en éénjarig en wordt in ons land weleens adventief (uit een ander tand komend) aangetroffen. Hij kan ± 100 cm hoog worden. In landen rond de Middellandse Zee komt dit soort echter veelvuldig voor op eens bewerkte akkers, bij ruïnes en mesthopen. Deze brandnetelsoort onderscheidt zich van de andere vanwege de vele kogelronde vruchtjes met een doorsnede van één centimeter, die aan het eind van de stengels worden gevormd. De soortaanduiding, pilulifera, doet de plantdan ookalle eer aan. De van het Latijns afgeleide naam — pilula (verkleinwoordje van pila, bal) balletje of pil en ferre, dragen, dus balletjesdragend, zinspeelt hierop. Cultuur De fraaie, platte, glimmend zwarte zaden, die wat op die van vlas gelijken, zijn oliehoudend, waardeerde kiemkrachtlangergoed blijft dan bij andere zaden. Er kan gezaaid worden omstreeks eind maart-begin april; in de tuin wel te verstaan! Die kieming verloopt snel, gevolgd door een rigoureuze groeikracht. Aan het eind van het groeiseizoen, wanneer het blad vergeelt en afvalt, komen de kogelronde vruchten pas goed tot hun recht. Dat is vooral het geval wanneer het herfstzonnetje er uit een bepaalde hoek opvalt. De hortus van de VU die over een klein beetje zaad beschikt van Urtica pilulifera is graag bereid hiervan aan een enkeling iets af te staan. Geïnteresseerden dienen zich wel te realiseren meteen brandnetel van doen te hebben. Dus bezint eer ge begint! Een zelfgeadresseerde en gefrankeerde enveloppe plus een extra postzegel van ƒ 1 ,kan desgewenst gezonden worden aan Hortus Botanicus der Vrije Universiteit, postbus 7161,1007 MC Amsterdam. De verzending geschiedt dan op volgorde van binnenkomst, de voorraad is zeer beperkt!
VU-Maqazine 13(1984) 2 februari 1984
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1984
VU-Magazine | 536 Pagina's