VU Magazine 1987 - pagina 260
Elan Een academische opleiding is niet meer zoals vroeger goed voor een baan van hoog niveau, ergens bij bedrijfsleven of overheid. Ook onder hoger opgeleiden slaat het spook der werkloosheid toe. Maar liefst 17.000 academici en nog eens 10.000 afgestudeerden aan een hogere beroepsopleiding kunnen geen werk vinden. Merkwaardig genoeg zijn er ook maar liefst 16.000 openstaande aanvragen van werkgevers die geen mensen van hoger niveau kunnen krijgen. De Stichting De Baak, managementcentrum van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen, vond deze situatie zo ongewenst, dat zij in 1984 besloot tot I een 'fris initiatief' 'en onder de naam
Nieuw Elan een cursus startte om jonge academici bij te scholen. De opleiding duurt bijna eenjaar, waarna de geslaagden zich kunnen presenteren als 'Assistant to the manager' . En dat heeft resultaat, want van de 380 deelnemers heeft inmiddels 90 procent een baan naar wens gevonden. Het aanbod werd dan ook uitgebreid van cursussen voor 'herintredende vrouwen' tot trainer-opleiders in het bedrijfsleven. Projectleider op De Baak, mr. Tj.A. Maris, beschreef de ervaringen met de cursussen in een boek dat onlangs bij Kluwer verscheen, getiteld Nieuwe kansen op de arbeidsmarkt. Nu die 16.676 andere werkloze academici nog.
6WW
het NIPO dergelijke vragen voorleggen aan een representatieve steekproef uit het Nederlandse volk. De uitkomst stelde de stichMaak het leger leger is een ting niet teleur. Eén op de vijf bekende kreet in anti-militaNederlanders vindt een eigen ristische kring. Maar hoe krijgsmacht in ons kleine denkt de gemiddelde Nederlander daar eigenlijk over? In landje niet of nauwelijks nodig. Ruim driekwart van de hoeverre zijn wij bereid ons bevolking meent echter dat te vuur en te zwaard te verdewe niet zonder kunnen of digen, tegen de achtergrond vindt het leger een noodzakevan het feit dat het instandlijk kwaad. Dit ondanks het houden van de krijgsmacht feit dat de 'oorlogsverwachjaarlijks een forse aanslag ting' onder het publiek duidedoet op het nationale inkolijk is afgenomen. Terwijl in men? De Stichting Maatschappij & Krijgsmacht wilde '82 nog maar 59 procent van dat ook wel eens weten en liet de bevolking de kans op oor-
Krijgsmacht
IMELOOSHBV mom
IK
% m WfiK l\f IS DIE CHLTUKEBL tivm M'N tAOEO^KSLtBrooK :cnr Vöögfl/.'5NflcHn IK MEKK HtZBLf öflr i< DM^ ECHT \jfiu ^^£R KflH Ll«E^J KENNEN juLLiz rHM OOK IK BEDOEL'.-
Illustratie: Aad Meijer
log klein achtte, is dit percentage nu uitgegroeid tot 85. Nog geen drie van de tien ondervraagden denken overigens dat wij het uitblijven van oorlog voornamelijk aan het bestaan van kernwapens te danken hebben. Minder optimistisch ziet het eruit voor onze jantjes. Gevraagd welk onderdeel van de krijgsmacht in geval van bezuiniging zou moeten worden opgeheven, wijst eenderde van de ondervraagden zonder haperen naar de marine. En als er maar één onderdeel mag blijven bestaan strijden land- en luchtmacht om de eerste plaats. Ook dan is de marine dus de verliezer. Tóch een smet op het blazoen van een zeevarende natie als de
onbeheersbare behoefte aan een borrel voelt opkomen kan één van de groepsleden opbellen om hem of haar deelgenoot te maken van deze opwelling, in de hoop dat erover praten de dorst weer doet verdwijnen. Volgens de onderzoeker drs. K. Geelen van de Katholieke Universiteit Brabant worden zelfhulpgroepen vaak ten onrechte wat meewarig bekeken. Het positieve van zo'n groep is bijvoorbeeld dat de deelnemers niet alleen hulp ontvangen, maar ook hulp geven. En dat laatste kan voor het soms toch al gekwetste ego van groot belang zijn. Een niet onaantrekkelijk ne-
veneffect is dat deze groepen veel en veel goedkoper zijn dan de professionele hulpverlening. In zijn rapport Zelfhulp onder de loep onderzocht Geelen een groot aantal studies naar zelfhulp, variërend van groepen voor weduwen tot groepen voor mensen die kampen met overgewicht. De resultaten hiervan geven aanleiding te pleiten voor een gedeeltelijke verschuiving van professionele hulp naar zelfhulp. Bij ernstige en chronische ziekten kan een zelfhulpgroep van lotgenoten de ziekte minder bedreigend of zelfs hanteerbaar maken. En dat is voor de individuele arts een vrijwel onmogelijke zaak.
Emelt De emelt, beter bekend als 'langpootmug', is een braaf dier dat geen vlieg kwaad doet. Vliegen kan de emelt trouwens nauwelijks, het insekt laat zich gewoon meedragen op de wind. Eten doen ze bijna niet, ze drinken alleen veel dauw. Wanneer de dieren zich in augustus tot volwassen langpootmuggen ontpoppen, leven zij nog slechts één a twee weken. Daarna is het - definitief naar wij vrezen - afgelopen. Ondanks zijn onschuld wordt
De landmacht mag blijven. Foto: Gert J. Peelen
jaarlijks met behulp van insecticiden een wilde jacht op langpootmuggen ontketend. En dat is een gevolg van het feit dat het dier als larve aanzienlijk minder onschuldig is, ja zelfs naar kannibalisme neigt. In dat stadium richt de emeh namelijk grote schade aan cultuurgewassen aan, hetgeen de woede van boeren en andere betrokken verklaart. Als steeds is echter ook hier weer de vraag of de chemische bestrijdingsmiddelen, die zonder uitzondering schadelijk zijn voor mens en milieu, niet erger zijn dan de kwaal, zoals het uiterst giftige en onlangs verboden parathion en het niet minder schadelijke lindaan. Maar, zo luidde de vigerende gedachte, tegen emelten is nu eenmaal geen ander kruid gewassen. Een misverstand, naar nu
blijkt uit een onderzoeksrapport van de Biologiewinkel van de Groningse universiteit: het kan allemaal best milieuvriendelijker. Uit langdurig en grondig onderzoek concluderen de biologen dat het inzetten van een weloverwogen combinatie van natuurlijke vijanden tegen de emelt, het insekt op den duur op een permanent en aanvaardbaar niveau kan houden.
Vietnam De woede van veel Nederlanders over de Amerikaanse bombardementen in Vietnam vond aan de universiteiten een uitweg toen in 1972 een discussie op gang kwam over een mogelijke hulpverlening aan Vietnamese universiteiten. Vier Nederlandse instellingen (te Wageningen, Leiden, Delft en de Universiteit van Amsterdam) sloegen de handen ineen en legden kontakt met acht universitaire instellingen in Vietnam. Ook andere Nederlandse universiteiten gingen, al dan niet samen met meerdere instellingen, tot hulp aan Vietnam over. Het samenwerkingsverband van de vier genoemde instellingen beperkt zich tot de natuur-, landbouw- en technische wetenschappen. Een van de projecten is bijvoorbeeld een studie naar het gebruik van bouwmaterialen om zo-
39
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
VU-Magazine | 485 Pagina's