VU Magazine 1987 - pagina 248
hoeven we er immers niet bang voor te zijn dat hij kalmpjes het stadion uitzeilt en achter de horizon in het niets verdwijnt; we nemen waar dat de bal vaart mindert en uiteindelijk helemaal stil komt te liggen. Aristoteles, de meest gezaghebbende natuurfilosoof voordat Newton opstond, concludeerde derhalve dat elk voorwerp geheel uit zichzelf naar een positie van rust terugkeert. Maar Newton liet zien dat er altijd remmende factoren in het spel zijn die bewerkstelligen dat het voorwerp vaart verliest; dat kan de wrijving van het grondoppervlak of de weerstand van de lucht zijn. In de ruimte bestaan zulke remmingen echter niet, daar zou elk voorwerp in principe zich in dezelfde snelheid en hetzelfde tempo eeuwig kunnen voortbewegen. Het is inderdaad zo dat de beweging van de hemellichamen oneindig is; ze bewegen zich echter niet in dezelfde lijn maar in een curve rond een centrum; er moet dus een tweede kracht aanwezig zijn die de beweging beïnvloedt. Newton slaagde erin om met behulp van wiskundige formules precies uit te rekenen hoe groot die kracht was, en zijn berekeningen kwamen overeen met de waarnemingen van astronomen. Daarmee was de wet van de universele zwaartekracht geboren. Met deze wet kon ineens een enorm aantal natuurverschijnselen verklaard worden. De zwaartekracht zorgt ervoor dat de aarde en andere planeten om de zon en de maan om de aarde draait, dat objecten altijd in een bepaalde snelheid op de aarde terug vallen, en dat er een vast verloop van de getijden, eb en vloed, bestaat.
H
et opzienbarende van deze wet van de zwaartekracht was, dat zowel de beweging van het meest dichtbijzijnde als van het meest verafgelegen voorwerp verklaard kon worden. Het cirkelen van de maan rond de aarde is aan hetzelfde mechanisme onderhevig als het vallen van een appel; daarmee zijn hemel en aarde onder één noemer gebracht. Het verrassende voor de tijdgenoten van Newton was, dat die bonte diversiteit in de natuur slechts schijn bleek te zijn; achter de ogenschijnlijke chaos bevindt zich wel degelijk een orde. En de mens is in staat om de natuurwetten op het spoor te komen als hij maar de juiste vragen stelt. Een manier van wetenschapsbeoefening deed zijn intrede, gebaseerd op abstractie: het afzien van de bijzondere kenmerken van voor-
VU-MAGAZINE —JUNI 1987
werpen of verschijnselen om het gemeenschappelijke te vinden. Toch bleef met die wet van de zwaartekracht een belangrijke vraag onbeantwoord: waar wordt die zwaartekracht toch door veroorzaakt? Oefenen objecten een aantrekkingskracht op afstand op elkaar uit, of is het iets dat in de lucht zit? Newton heeft zijn leven lang naar een mogelijk antwoord gezocht, maar tot een definitieve oplossing kwam hij niet. Uiteindelijk heeft hij van de nood een deugd gemaakt. We weten wel niet precies wat nu eigenlijk die zwaartekracht is, zo stelde hij, maar het is voldoende om aangetoond te hebben dat iets dergelijks bestaat en dat we de beweging van voorwerpen ermee kunnen voorspellen. Daarmee opende hij de weg voor een wetenschappelijke stijl die afzag van het zoeken naar omvattende verklaringen en dieper liggende betekenissen, ten gunste van een stijl die de verschijnselen slechts in hun functioneren wilde onderzoeken. Die vernieuwing in de wetenschappelijke stijl is volgens de Newtonkenner I.B. Cohen misschien wel het meest revolutionaire aspect van zijn hoofdwerk. Cohen meent in zijn boek The Newtonian Revolution (1980) dat de vernieuwing niet in de eerste plaats gelegen heeft in zijn bewegingswetten, hoewel zonder die berekeningen bijvoorbeeld de hele ruimtevaart niet mogelijk zou zijn geweest. Het gaat er niet zozeer om dat Newton de oplossing heeft gevonden voor een aantal problemen, maar om het feit dat dankzij hem de problemen op een heel andere wijze geformuleerd konden worden; dat men op een andere manier naar oplossingen ging zoeken. Newton was met name de eerste die mathematische formules hanteerde om theorieën te formuleren over de natuur zoals die zich via observatie en experiment aan ons openbaart. Juist dit gebruik van wiskunde op het terrein van de fysica heeft een brede navolging gekregen; maar niet alleen daar. Lange tijd gold als een belangrijk criterium voor het ontwikkelingsniveau van élke wetenschap de vraag, in hoeverre daarin mathematische formules werden toegepast.
D
oor observatie van de natuur alleen had Newton nooit tot zijn inzichten kunnen komen. De empirische gegevens wezen immers uit dat bewegende voorwerpen uit zichzelf tot stilstand kwamen; slechts door de abstraherende symbolentaal van de wiskunde kon duidelijk worden gemaakt dat zoiets maar schijn is. De opvatting dat
De opvatting dat een theorie alleen waar is als hij in overeenstemming is met de waarneembare feiten, werd door Newton gelogenstraft. een theorie alleen waar kan zijn als hij in overeenstemming is met de waarneembare feiten, werd dus door Newton impliciet gelogenstraft. De benadering van Newton lijkt in sterke mate overeen te komen met die van Albert Einstein. Van deze laatste is de uitspraak afkomstig dat alleen de rede en
niet de empirische data de basis kunnen zijn van een wetenschappelijk systeem. Ook de relativiteitstheorie is niet uitsluitend ontstaan op grond van inductie, een reeks feiten waaruit een theorie gedestilleerd wordt, maar met name op grond van de 'vindingrijkheid van het menselijk intellect' zoals Einstein dat zelf uitdrukte. Toen hem eens gevraagd werd wat hij ervan zou vinden als zijn berekeningen niet bevestigd werden, antwoordde Ein27
Newton op 46-jarige leeftijd, geschilderd door Sir Godfrey Kneller: de rede werd voor Newton een allesverterende passie
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
VU-Magazine | 485 Pagina's