Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1987 - pagina 293

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1987 - pagina 293

4 minuten leestijd

'Mijn aandacht voor culturele continuïteit vindt zijn oorsprong in de rooms-katholieke cultuur waarin ik opgroeide', aldus publicist en hoogleraar letterkunde. Kees Fens. De universiteit als slechtst denkbare omgeving om een boek te lezen.

Kees Fens

^ B D e rode draad in al mijn ^ F bezigheden is langzamer^ hand de grotere aandacht voor de poëzie dan voor het proza geworden. Niet alleen wat het doceren betreft, maar ook bij 'het schrijven óver'. En verder speelt de continuïteit in de cultuur voor mij een steeds grotere rol. Ik vind de scheiding die gemaakt is tussen 'moderne' en 'oude' letterkunde eigenlijk fataal. Die twee hebben namelijk alles met elkaar te maken. Wil ik de moderne letterkunde in z'n breedste context behandelen, dan mag ik alles wat daaraan voorafging niet verwaarlozen. Mijn belangstelling voor de oudere letterkunde, maar ook voor cultuurgeschiedenis en geschiedenis überhaupt, is in feite net zo groot als die voor de moderne letterkunde. Dat bewijzen mijn stukken in de krant van maandag ook steeds weer. Als je naar 'de rode draad in mijn leven' kijkt dan is die historische belangstelling er altijd geweest, van heel jongsaf aan. Je bent opgevoed in een geloof dat in vorm en taal sterk historisch bepaald is

geweest. Als heel klein kind werd je al geconfronteerd met teksten die soms acht, negen eeuwen oud waren. Bij mij althans heeft dat die historische belangstelling op gang gebracht; daar ben ik van overtuigd. De rooms-katholieke cultuur, waarin ik ben opgegroeid, heeft een grote continuïteit. Ik denk dat mijn aandacht voor, en zorg om de continuïteit in de cultuur daar hun oorsprong vinden. En dat betekent dat ik me onmogelijk met de letterkunde van de twintigste eeuw alléén zou kunnen bezighouden; dat zou ik een verarming van mijn geest vinden, dan verschraal je. In het onderwijs dat ik geef leg ik er wel de nadruk op, maar ik moet dat bij voeden met het oudere, de dingen van vroeger.

Als je onderwijs geeft moetje honderd keer meer weten dan je kwijt kunt. Maar door het specialisme dat ik hier beoefen kom ik natuurlijk minder toe aan het doorgeven van die tradities dan iemand die bijvoorbeeld kunstgeschiedenis van de middeleeuwen en de vroege renaissance geeft. Zo

'Ik zal nooit zeggen: ik heb vanavond een paar uur over, nou ga ik eens lekker zitten schrijven; nóóit.' 28

iemand kan veel meer kwijt over, als ik me zo mag uitdrukken, 'ons erfgoed', dat trouwens steeds onbekender wordt als gevolg van allerlei maatschappelijke veranderingen.

N

atuurlijk heb ik in de letterkunde van de twintigste eeuw mijn eigen voorkeur. Dat is een aantal auteurs waarbij ik, ook in mijn stukjes, steeds terugkeer. Onder de dichters zijn dat met name Nijhoff, Leopold, Blo^m, Lucebert, Kouwenaar, Vestdijk als dichter, en Achterberg; maar ik zal er wel een paar vergeten zijn. Voor de universiteit sprekend vind ik, datje beter véél aandacht aan énkelen kunt besteden dan weinig aan velen. Ik vind het verstandiger de belangstelling -de interpretatie, het naderbij brengen -te richten op de enkele zeer groten die we gehad hebben, dan dat je je bezighoudt met tweedeof derderangs figuren. Die kunnen vaak wel interessant zijn, maar er moet, wat betreft de groten, nog zoveel gedaan worden, dat ik vind dat die voorrang zouden moeten krijgen. Je kunt de aandacht natuurlijk ook op stromingen in de letterkunde richten, maar ik vind Nederland niet zo'n sterk 'stromingenland'. Richtingen en stromingen hebben we eigenlijk niet. De meeste stromingen -de Tachtigers, de

Vijftigers - hadden misschien in het begin iets met elkaar te maken, maar later lopen de afzonderlijke figuren ontzettend sterk uiteen. Stromingen zijn meestal scheppingen van de kunsthistoricus en niet meer dan een werkhypothese. Hoe scherper je de betrokkenen gaat bekijken, hoe minder ze gaan behoren tot de stroming waarbij je ze indeelde. Als je gaat indelen heb je grotere gehelen nodig. Nou, die maak je dan. Maar il hecht daar niet zoveel waarde aan. De grotere verbanden in de literatuur lopen heel anders, zijn veel meer a-historisch. Er zijn wel verbindingen te leggen tussen bijvoorbeeld de literatuur uit de vorige eeuw en die van later, maar die liggen op heel ander terrein. Zo zou je ook de poëzie van bijvoorbeeld Kouwenaar in verband kunnen brengen met die van Nijhoff. Dat vind ik een veel wezenlijker verband dan te stellen dat Nijhoff een tussenfiguur is van tussen de twee wereldoorlogen en dat Kouwenaar een Vijftiger is.

A

an het schrijven van 'echte literatuur' heb ik me nooit gewaagd. Ik kan het niet. Ik wil het ook niet. Niemand wil dat geloven, maar ik heb nooit een gedicht geschreven, zelfs nooit een verhaal. Ik heb er ook geen enkele behoefte aan. Dat klinkt heel raar; veel poëzierecensenten zijn immers zelf óók dichter. VU-MAGAZINE - JULI/AUGUSTUS 1987

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987

VU-Magazine | 485 Pagina's

VU Magazine 1987 - pagina 293

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987

VU-Magazine | 485 Pagina's