VU Magazine 1987 - pagina 321
René Magritte, Golconde, 1953.
Porno In korte tijd is het begrip postmodernisme, afkomstig uit de architectuur- en literatuurkritiek en uit de filosofie, ingeburgerd geraakt in het Nederlandse taaieigen. Een eenduidige definitie ervan is nooit gegeven; op soms zeer verschillende wijzen wordt er betekenis aan verleend. Door die inflatie aan betekenissen lijkt het postmodernisme soms helemaal niets meer te betekenen, behalve dan een ongetwijfeld snel voorbijgaand modeverschijnsel. Deze laatste indruk werd nog versterkt door een special van de Haagse Post, als vanouds de chroniqueur van trendy tijdsverschijnselen, waarin het postmodernisme handzaam werd afgekort tol porno. In ons land identificeren veel mensen het postmodernisme met zijn modieuze verschijningsvorm; reden voor hen om aan de serieuze kern ervan geen aandacht te hoeven schenken. Iemand die het postmodernisme wèl ernstig heeft genomen, is Vrij Nederlandredacteur Carel Peeters in zijn boekje Postmodern: een polemisch essay. Behalve met Lyotard en Baudrillard debatteert hij hierin vooral met Michel Foucault, Jaques Derrida, Roland Barthes en Umberto Eco. Helaas is zijn polemiek van een bedroevend gehalte. Om te zeggen dat hij een karikatuur schetst van zijn opponenten zou nog een te groot compliment zijn: een karikatuur bevat immers overdrijving, maar dan wel van reële elementen van de te bestrijden ideeën. Bij Peeters is eerder het gezegde van de klok en de klepel van toepassing. In zijn tomeloze drift om de stellingen te betrekken en zich tegen zijn opponenten af te zetten, vergeet hij hun redeneringen nieuwsgierig te onderzoeken en eventueel zwakke plekken daarvan op te zoeken. Veel verder dan een windmolengevecht komt Peeters in zijn polemische geschrift niet. Wie bereid is zich enige moeite te getroosten, kan zich wellicht het beste rechtstreeks wenden tot de zogenaamde postmoderne filosofen. Van de meesten is wel werk in vertaling beschikbaar. Met name dat van Lyotard, van wie enkele maanden geleden Het postmoderne weten bij Kok in Kampen verscheen, is een redelijk geschikte inleiding. Echt gemakkelijke stof is het niet; Lyotard schrijft in een nogal gecomprimeerde stijl waarbij in weinig zinnen veel gezegd wordt. Toch moet het voor iemand zonder al te stevigefilosofischeondergrond te volgen zijn. Het interessante van het boek is dat het in 1979 in Frankrijk geschreven is, maar dat men voortdurend de indruk heeft een analyse van de Nederlandse universiteiten in de jaren tachtig te lezen. Het postmoderne weten kan daarom ook gelezen worden als een bijdrage aan een discussie over de toekomst van de universiteit; een discussie die nog in volle hevigheid woedt. D
12
andere wijze worden verduidelijkt. Sinds Copernicus weten we dat onze zintuigen uiterst onbetrouwbaar zijn: het is de aarde die om de zon draait en niet andersom. En hoewel we weten dat het een illusie is, blijft elke dag opnieuw voor onze ogen de opgaande zon de waarheid, zo stelt de DuitsefilosoofPefór Sloterdijk in zijn Kopemikanische Mobilmachung und ptolemaische Abrüstung. En wanneer je vroeg bent opgestaan om daarvan te genieten, kun je die illusie, of moeten we zeggen waarheid, maar beter accepteren. "Is de zonsopgang een natuurlijke bondgenoot voor een postmoderne esthetiek en filosofie?" is de ironische vraag die Sloterdijk stelt. Absoluut, zou ook hier het antwoord kunnen zijn. Met zulke dubbelzinnigheden en onzekerheden zijn veel schrijvers en filosofen die als postmodern getypeerd worden, gepreoccupeerd. Lyotard noemt onderzoek naar instabiliteiten, naar het onberekenbare, als kenmerkend voor het postmoderne weten. Maar niet met als doel om daaruit nieuwe stabiliteiten en berekenbaarheid te destilleren; waarheden welke de illusie en het mysterie volledig elimineren zijn in hun hardheid alleen maar afstotend en bieden een bedrieglijke zekerheid. Het gaat erom waarheden te laten zien die de illusie, de dubbelzinnigheid, intact laten. Zoals bijvoorbeeld in de kunst de schilderijen van René Magritte. Heeft de moderne wetenschap de neiging het mysterieuze te banaliseren, bij Magritte gebeurt het omgekeerde: alledaagse voorwerpen worden in een bevreemdende samenhang geplaatst en verliezen hun vanzelfsprekendheid. Het banale wordt mysterieus. En het heeft geen enkele zin om naar een dieper liggende betekenis of een verborgen waarheid te zoeken: de enige waarheid is die welke zich voordoet. Het heeft evenmin zin naar de objectieve betekenis van dromen te zoeken: zoals zij zich aan ons voordoen zijn zij betoverend, angstaanjagend of spannend; hun wetenschappelijke interpretatie, hun reductie tot pathologische symptomen, is daarentegen altijd en alleen maar vulgair.
T
er bevordering van die meer sensibele vormen van beschouwing spreekt Peter Sloterdijk over een kunst van het niet-handelen, van het nalaten. Dat klinkt merkwaardig; is een pleidooi voor passiviteit nu wel de aangewezen weg in een tijdperk waarin de behoefte aan alternatieven groter is dan ooit?, kan men zich afvragen. Maar misVU-MAGAZINE — SEPTEMBER 1987
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
VU-Magazine | 485 Pagina's