VU Magazine 1987 - pagina 85
Kinderen demonstreren tegen de plaatsing van kruisraketten op de vliegbasis Woensdrecht; geïntegreerd onderdeel van hun wereldbeeld. Foto Bram de Hollander
Oorlog Moeten we kinderen wel of niet betrekken bij problemen van oorlog en vrede? Kinderen zelf blijken minder bezorgd om hun gemoedsrust en trekken, geïnformeerd of niet, hun eigen conclusies. Leuk of niet, kernwapens vormen inmiddels een geïntegreerd onderdeel van hun wereldbeeld en met name oudere kinderen wijzen oorlog ondubbelzinnig af, zo blijkt uit een studie van drie sociaalwetenschappelijke onderzoekers van de Rijksuniversiteit te Utrecht. 250 kinderen tussen zes en twaalf jaar tekenden, praatten en schreven over het thema oorlog en vrede. De resutaten waren verrassend. Vooral de wat oudere kinderen hebben een grondig besef van het allesvernietigende karakter van een kernoorlog; heftige verontwaardiging over en morele afkeuring van kernbewapening is het gevolg. Vanuit de kinderlijke belevingswereld bezien de allerjongsten oorlog aanvankelijk als een grote-mensenruzie. Tussen het zevende en tiende levensjaar treedt een opmerkelijk verschil tussen jongens en meisjes aan de dag. Meisjes hebben vooral oog voor het leed dat oorlog veroorzaakt en "identificeren 40
zich sterk met de slachtoffers. Jongens zijn dan nog gefascineerd door de spectaculaire • kant van het krijgsgeweld. Dat verschil verdwijnt na het elfde levensjaar, wanneer ook jongens de oorlog vanuit het gezichtspunt van de slachtoffers gaan beschouwen. Het onderzoek maakt echter vooral duidelijk dat oorlog, als het grootschalig gevolg van machtstrijd en bewapening, niet meer valt weg te denken uit de belevingswereld van kinderen.
Apartheid Zuid-afrika heeft geen patent op apartheid. Een heel speciale variant van dit gewraakte fenomeen blijkt in ons land in opmars. In een stad als Amsterdam is een verontrustende tweedeling in het lager onderwijs tussen 'witte' en 'zwarte' scholen aan het ontstaan. Steeds meer basisscholen worden bevolkt door of alleen maar leerlingen van Nederlandse komaf, of door uitsluitend leerlingen afkomstig uit 'etnische minderheden'. Al in 1983 viel het de Onderwijsgroep van het Wijkopbouworgaan Oud-West in de hoofdstad op, dat er een ontwikkeling in die richting gaande was. Maar om dit ongewenste proces een halt toe
te roepen, moest men eerst meer weten omtrent de motieven die Nederlandse ouders hanteren bij de schoolkeuze voor hun kinderen. Met die vraag stapte men naar de wetenschapswinkel van de hoofdstedelijke universiteit. Het rapport van het daaruit resulterende onderzoek werd onlangs openbaar gemaakt. De ontwikkeling blijkt vooral te worden veroorzaakt door de grote categorie ouders die, zelf woonachtig in één van de oudere wijken, zich afzetten tegen de eigen buurt. Onder het mom van de wens tot optimale ontplooiing van hun kinderen, kiezen zij een 'witte' school in een 'nettere' wijk. Ze zijn vooral afkomstig uit de middenklasse en menen zo hun maatschappelijke positie veilig te stellen. Opmerkelijk is dat ouders uit de 'lagere klassen' aanzienlijk toleranter zijn. Die hebben kennelijk minder te verliezen.
Stellingen De hedendaagse promovendi lijken tot de zorgelijke types te moeten worden gerekend. In toenemende mate is de zorg, waarmee zij de wereld, in spaarzame vrije tijd en over de rand van hun boeken, bezien, uit hun 'laatste stellingen' af te lezen.
Zo stelt de theoloog A. van Egmond dat te vrezen valt, "dat in de nieuwe editie van Van Dale's Groot Woordenboek der Nederlandse taal de omschrijving van 'zorgzaam' zal moeten worden aangevuld met: '2. goed voor zichzelf zorgend: een zorgzame samenleving, zorgzame politici'.'' Zorg is ook de essentie van de één na laatste stelling van de geneeskundige C.M.P.M. Hertogh: "De politieke betekenis van het concept 'zelfzorg' is niet nieuw; reeds de Romeinse keizer Tiberius was van mening, dat
elke burger na zijn dertigste levensjaar in staat moest worden geacht over voldoende levenservaring te beschikken, om zijn eigen geneesheer te zijn. Maar terwijl de verordening van deze keizer nog een uitdrukking was van een wantrouwen jegens de therapeutische mogelijkheden van de toenmalige geneeskunde, moet men zich in de huidige tijd de vraag stellen of de beleidsmatige hantering van de term 'zelfzorg' niet een omgekeerd wantrouwen van de geneeskunde jegens de politiek rechtvaardigt." De wis- en natuurkundige M. W.F. Nielen maakt zich daarentegen zorgen om de technologisering van de wetenschap, als hij stelt dat voor moderne analytische instrumenten steeds vaker het gezegde van Tjeerd Zwaan geldt: " As'r hier en deer moar 'n lampie brandt.'' /„• \
VU-MAGAZINE - FEBRUARI 1987
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
VU-Magazine | 485 Pagina's