VU Magazine 1987 - pagina 117
Een weinig welwillende ontvangst van tijdgenoten en het imago van een moeilijk dichter. Maar Dèr Mouw was behalve een volgeling van Indiase mystiek ook een bepleiter van natuurlijk taalgebruik. En dat levert menige verrassing op in zijn verzameld werk. JOHAN DE KONING
J. A. Der Mouws strijd tegen 'boekrig versgepruts'
I
n november 1919 schreef Frederik van Eeden in de Groene Amsterdammer een artikel over de in de loop van dat jaar overleden dichter Adwaita (een pseudoniem dat 'Tweeheidsloze' betekent). Wie het artikel leest krijgt licht de indruk dat de lectuur van diens gedichten lang niet voor iedereen is weggelegd. "Om Adwaita te verstaan moet
Johan Andreas dèr Mouw: een moeilijk dicliter?
men zeer gevoelig zijn, zeer hoog kunnen gevoelen en daarbij ook veel weten", schrijft Van Eeden. Het is de eerste bijdrage aan de vestiging van een reputatie die een brede belangstelling voor de poëzie van Johan Andreas Dèr Mouw in de weg zou blijven staan. Is Dèr Mouw werkelijk een moeilijk dichter? Aangezien hij door letterkundigen vaak tot de beste dichters van deze eeuw wordt gerekend, is het de moeite waard om eens wat reacties op zijn werk te bekijken. De eventuele reserves die Dèr Mouws bewonderaars noemen, vertellen misschien ook iets over de geringe algemene belangstelling, die onlangs nog pijnlijk werd bevestigd toen de bloemlezing die Gerrit Komrij in 1980 uit zijn werk samenstelde, in de ramsj verscheen.
Van Eeden kwam met Dèr Mouw in contact toen deze erkenning zocht voor zijn nog ongepubliceerde gedichten. Het klikte onmiddellijk tussen de twee dichters, maar er waren verschillen en die lagen met name op religieus terrein, een terrein dat beiden serieus namen. Dat Van Eeden Dèr Mouws gedichten zo moeilijk vond zou volgens mij voor een deel verklaard kunnen worden uit de grote moeite die hij zelf had gehad met het accepteren van de religieuze strekking van bepaalde gedichten waarin Dèr Mouw het christendom hekelt. Van Eeden, de wereldhervormer, was op latere leeftijd een zeer ethisch georiënteerd christen. Dèr Mouw daarentegen was mysticus. Hij geloofde in een op oosterse wijsheid geïnspireerd religieus principe dat alle tegenstellingen in zich verenigt: goed en kwaad, verhevenheid en laagbijdegrondsheid, heden en verleden, groot en klein, maar bovenal de tegenstelling tussen de individu en het goddelijke - beide zijn verenigd in Brahman. "Mij zelf aanbid ik, als de grens verdwijnt, en ik vervloei met wat me eeuwig omringt", beschreef hij zijn religieuze ervaring in een van zijn vele sonnetten. Het christelijk zondebesef wees hij af, immers goed en kwaad waren één. Christus was voor hem weliswaar een van de groten der aarde, maar met christenen had hij andere ervaringen: "die weg van zich het meest naar Christus staarde, zag 'k andren, 't hoogste willend, 't diepste krenken." Van Eeden noteerde toen hij de gedichten had gelezen met een bezwaard gemoed in zijn dagboek: "Ik vreesde dat de stemmen van de overzij ze zouden verwerpen en afkeuren." We zijn hier in de tijd waarin het spiritisme zijn bloei beleefde en de stemmen van de overzij vragen
VU-MAGAZINE —MAART 1987
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
VU-Magazine | 485 Pagina's