VU Magazine 1987 - pagina 141
lijkse gang van zaken in haar hoogbegaafde gezin.
H
et maatschappelijk tij is kennelijk gekeerd, ten gunste van de hoogbegaafde kinderen. De wetenschap trekt zich inmiddels echter alweer wat langer hun lot aan. Het keerpunt in de wetenschappelijke belangstelling ligt voor Nederland rond 1983. In dat jaar viel de Nijmeegse hoogleraar ontwikkelingspsychologie, prof. dr. F.J. Monks in een themanummer van het tijdschrift Pedagogische Studiën de Nederlandse onderwijspolitiek aan. Deze zou te zeer gericht zijn op het opbouwen van een goed middenniveau, zonder de hoogbegaafden extra kansen te geven. Evenals zijn Utrechtse collega Span sleepte Mönks nog in hetzelfde jaar een onderzoeksopdracht in de wacht, die via de Stichting Onderzoek van het Onderwijs werd gefinancierd door het ministerie van onderwijs en wetenschappen. Ook richtte hij in dat jaar ter bevordering van het onderzoek de Hugo de Grootstichting op, wat in 1984 tot een symposium leidde, waarop staatssecretaris Ginjaar-Maas stelde dat het al een hele winst is dat het denken over hoogdbegaafden
'Als er iemand aan de riolering werkt, willen ze niet alleen weten wat hij doet, maar ook wat er verder mee te maken heeft, totdat ze uiteindelijk bij het gemeentelijk bedrijf staan om de plattegrond van de riolering te bestuderen.' 'wat uit de taboesfeer komt'. Zijn onderzoeksopdracht heeft Mönks inmiddels met hulp van collega's uitgevoerd en de resultaten liggen nu te rijpen op het ministerie. F.J. Mönks is het middelpunt van het onderzoek naar hoogbegaafdheid in Nederland. Hij liet een gestage stroom van publicaties over dit onderwerp het licht zien, ook in het buitenland. Zijn eerste bijdrage leverde hij in 1963, toen hij zoals hij zelf in een recent artikel schrijft 'als jong assistent' op een congres over creativiteit een optimistisch pleidooi 8
hield voor een longitudinaal onderzoek dat de ontwikkelingspatronen van hoogbegaafden zou blootieggen. Was de onderzoeker zelf zo'n hoogbegaafd knaapje?, vraag ik hem als ik hem aan de Nijmeegse universiteit opzoek. "Dat weet ik niet," antwoordt hij nuchter, "maar in ieder geval boeide mij het onderwerp zodanig dat ik er een uitgebreide studie van gemaakt heb, terwijl dat onderwerp op dat ogenblik nog de aandacht van niemand trok.'' Mönks: "Deze kinderen stellen vragen die een gewone ouder niet kan beantwoorden. Ze zijn ontzettend nieuwsgierig en willen alles precies weten. Als er iemand aan de riolering werkt, willen ze niet alleen weten wat hij doet, maar ook wat er verder mee te maken heeft, totdat ze uiteindelijk bij het gemeentelijk bedrijf staan om de plattegrond van de riolering te besttideren. Dat is werkelijk voorgekomen. Doordat ze zich niet tevreden stellen met de antwoorden die voor andere kinderen voldoende zijn vervelen ze zich op de kleuterschool al heel snel. Als ze iets gedaan hebben willen ze aan iets nieuws beginnen en herhaling, waar het. hele schoolsysteem op is gebaseerd, werkt voor deze kinderen ontzettend demotiverend. En dan blijken ze uiteindelijk over de zin van het leven te gaan nadenken. Soms willen ze liever dood zijn.''
I
s de situatie werkelijk zo ernstig als Mönks haar schetst? De Amerikaanse onderzoekster Joan Freeman concludeerde dat hoogbegaafde kinderen geen bijzondere problemen hebben met vriendschappen en verveling. Uit ander onderzoek blijkt dat afwijkend gedrag en emotionele scheefgroei niet tot het doorsnee ontwikkelingsverloop van hoogbegaafden gerekend moet worden. "Dat onderzoek betreft alleen gevallen die toegankelijk zijn," reageert hij. "Ik heb er ook met buitenlandse collega's over gesproken en we schatten dat vijftig tot zestig procent van de hoogbegaafde kinderen niet door de omgeving als zodanig wordt geïdentificeerd. Aan die kinderen wordt dus geen speciale aandacht geschonken, in tegenstelling tot de gevallen die we wèl kennen en waaraan ontzettend veel aandacht wordt besteed door ouders en door leerkrachten. Over de grote groep die wel bestaat maar die niet als zodanig wordt geïdentificeerd, kun je dus niets zeggen, behalve als je ze toevallig tegenkomt. Je hoort mensen die zeggen dat ze vroeger ook zo
waren of dat ze ook drie van dat soort kinderen in hun klas gehad hebben, maar van twee ervan hebben ze nooit meer iets gehoord. Het is geen noodzakelijkheid dat hoogbegaafdheid gepaard gaat aan sociale isolatie, gelukkig niet, maar vaak is dat wel het gevolg. Als een kind veel weet wordt het vaak door leeftijdsgenoten gemeden of juist opgehemeld omdat het zo'n fenomeen is. Zo'n kind gaat zich hoe dan ook extra bijzonder voelen en misschien gaan ze het op een gegeven ogenblik pesten. Het komt dan in een vicieuze cirkel terecht omdat het op zich merkwaardige gedrag wordt ondersteund. En dan zien we uiteindelijk de produkten en dan zeggen we; zie je wel die zijn zo. En er zijn er inderdaad die wat raar zijn, die de naam hebben van het denkertje, het strebertje.'' Niet alleen het leed van de hoogbegaafde kinderen wordt als argument aangevoerd om ze wat meer aandacht te geven. Een ander argument, dat vooral politici aanspreekt, is dat kennis - zoals het dan genoemd wordt - de kurk is waar een land met weinig grondstoffen op drijft. Mönks zelf schreef dat in 1983 en in 1984 zei Ginjaar-Maas het hem na. Veelzeggend is in dit verband dat in de Verenigde Staten de politici doordrongen raakten van het besef dat hoogbegaafdheid gekoesterd moet worden nadat de Russen in 1957 de Sputnik lanceerden. In enkele jaren verschenen toen meer dan twintig boeken over de opvoeding van hoogbegaafden. Het argument dat de rechtgeaarde wetenschapper aanspreekt luidt echter weer anders. Mönks verwoordt het zo: "Iedereen heeft het recht om zich in overeenstemming met zijn gaven te ontwikkelen. Als dat recht aan deze groep kinderen wordt onthouden, dan is dat onrechtvaardig."
H
oe uitzondelijk deze kinderen ook zijn, hun bijzondere gave is niet vergelijkbaar met bijvoorbeeld een medische afwijking. De overgang ttissen mensen die verbazend intelligent zijn en mensen met een gemiddelde intelligentie verloopt geleidelijk. "De intelligentieverdeling wordt weergegeven door een klokvormige curve," legt Mönks uit. " De grootste groep vak in het middengedeelte en aan de ene kant heb je de zwakke begaafdheid en aan de andere kant de hoogbegaafdheid, de aantallen daarvan worden naar de zijkanten toe geleidelijk aan steeds kleiner. Ongeveer tien procent van de kinderen kun je
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
VU-Magazine | 485 Pagina's